Henk de Kleer

Henk de Kleer; Family history /Familiegeschiedenis De Kleer

De trouwtekst Gen 12:2 (Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uwen naam groot maken; en wees een zegen) bij de inzegening van het huwelijk van Hendrik de Kleer met Maria Mulder op 25 mei 1906 in de Gereformeerde kerk van Bodegraven.
 
 

 

an Lannoy naar Dedemsvaart   
Een geschiedenis van de familie Leclercq/De Kleer

In augustus 1664 melden zich bij de Waalse Kerk in Leiden Bartholomeus Le Clercq met zijn zonen Nicolaas en Olivier. Ze zijn afkomstig uit Lannoy, een dorp in de buurt van Rijsel.
De geschiedenis van de familie Leclercq begint, voor zover kon worden nagaan, ruim 100 jaar eerder.
In het Frankrijk van de 16e en 17e eeuw is het gebruik kinderen te vernoemen naar de ouders en zelfs naar de grootouders. Aan de hand van dit gegeven is het mogelijk om met een aan 100% grenzende zekerheid sprongen te maken in de geschiedenis.
Bij de familie Leclercq zijn het de namen Olivier en Bartholomeus (Beltremieu of Bettrimieux) die als een verbindingsdraad de gegevens aan elkaar knopen.
 

  Lille en omgeving omstreeks 1610. Dit gedeelte van Vlaanderen was in deze periode onderdeel van de Zuidelijke Nederlanden.
Omstreeks 1560 wonen Bettremieux, Jacques, Anthonie, Jehan, Marie en Catharine Leclercq met hun vader Olivier Leclercq in Hem, een dorpje nabij Lannoy/Lille.
Deze informatie is afkomstig uit een financiële transactie die plaats vond na het overlijden van hun moeder, Micquielle du Bar. Hierin wordt beschreven het aflossen van een schuld die betrekking heeft op een stuk grond.
Olivier Leclercq zal omstreeks 1525 geboren zijn in Hem.

 
De financiële transactie, aanwezig in het verslag
van de Markizaat van Roubaix, anno 1560
In Frankrijk overlijdt in datzelfde jaar Koning Frans II waarna Catharina de Medici aan de Macht komt. Dank zij haar wordt in 1562 het Edict van Saint-Germain uitgevaardigd dat aan protestanten een beperkte vrijheid van godsdienstoefening toestaat. Omstreeks deze tijd gaan de Franse protestanten zich Hugenoten noemen.
Een term waarmee uitgedrukt wordt, dat het om mensen gaat die bereid zijn om voor hun zaak –la Cause- met wapens in te staan.
 
In deze tijd hoort het gebied rond Rijsel bij de Zuidelijke Nederlanden en is daarmee onderworpen aan het gezag van de Spaanse koning Philips II.
Het is ook een streek met voor die tijd ongekende veranderingen op godsdienstig gebied.
De eerder door koning Philips II verbannen calvinisten keren in 1566 terug en tijdens massale bijeenkomsten, de hagenpreken, wordt het nieuwe geloof gepredikt. De gebeurtenissen blijken zo revolutionair te zijn dat de tijdgenoten spreken van een Wonderjaar. Anderzijds leidden de stijgende graanprijzen tot voedseltekorten, de term Hongerjaar is daarom overal te horen.
In Lannoy en omgeving beginnen de godsdiensttroebelen met de Beeldenstorm in augustus 1566. In december van hetzelfde jaar sluiten velen zich aan bij het geuzenleger dat niet veel later nabij Lannoy door het Spaanse leger wordt verslagen.
 Kinderen van Olivier Leclercq en Micquielle du Bar zijn: Catharine,  Marie, Jean, Anthonie, Jacques, Bettriemieux en Bartholomeus. Bartholomeus is omstreeks 1570 in Lannoy geboren.
De harde aanpak van de nieuwe godsdienst door de Spaanse overheid heeft tot gevolg dat veel hervormingsgezinden vluchten naar Nederland, Engeland of Duitsland. Aanvankelijk hebben ze niet de bedoeling daar te blijven. Ze groeperen zich en vallen van uit Nederland Vlaanderen binnen om het land van de Spanjaarden te bevrijden. In begin lukt dit en al snel is Vlaams-Vlaanderen in handen van de Calvinistische Republiek. Maar, Waals-Vlaanderen, en dan vooral de kasselrijen Rijsel (Lille), Douai en Orchies, zijn niet veroverd en blijven onder Spaans bewind.
Met de aankomst van de hertog van Alva in de Nederlanden in augustus 1567 vertrekken veel inwoners uit de streek om nooit meer naar hun geboortestreek terug te keren.
Van uit Waals-Vlaanderen worden door de Spanjaarden, samen met de Walen en de gevluchte katholieken aanvallen op de Calvinistische Republiek ondernomen. Als gevolg daarvan komt het in 1578 tot een echte oorlog in deze streek. De intrede van de Spaanse troepen betekend in 1582 voor Rijsel en omgeving het einde van de opstand. In 1585 wordt Antwerpen door de Spaanse troepen ingenomen en dit betekend het eind van de oorlog. Vlaanderen is vanaf dat moment weer Spaans en “katholiek”. Met het oprukken van de Spanjaarden neemt iedereen die overtuigd protestant is de benen naar nog niet bezette gebieden, vooral Holland. Zelfs degenen die hoogstens verdacht zouden kunnen worden van sympathie voor protestanten, slaat de angst om het hart, en zeker als hun boeltje door de Spaanse soldaten uitgeplunderd en vernield wordt, wachten de komende nog ergere maatregelen niet af, maar vluchten. Vaak krijgen ze de tijd om nog wat spulletjes mee te nemen, maar soms kwamen de vluchtelingen volkomen berooid in Holland aan.
Na deze oorlog is de ontvolking van de streek zodanig van omvang dat in 1597 een derde van de landerijen niet gecultiveerd is en beteeld wordt.
In het archief van Lille is aanwezig een document uit 1601 betreffende de verhuur van een woning. Hierin staat: “Bartholomeus Leclercq, eigenaar van een huis te Lannoy, gelegen tussen de aangrenzende buren Jacques Fanvargue en Jacques Malfait.
Bartholomeus Leclercq wenst dit huis te verhuren aan zijn zoon Nicolaas Leclercq”.
 
Bartholomeus Leclecrq
Jacques, zoon van Bartholomeus Leclercq, is geboren omstreeks 1600 in Hem nabij Lille/Rijsel. Kinderen van Jacques zijn: Jacques, Denys, Pierre, Olivier en Bartholomeus.
Bartholomeus is geboren omstreeks 1620 in Lannoy.
Hij trouwt omstreeks 1645 met Jehanne Delcroy.
Kinderen van Bartholomeus en Jehanne:
1 Nicolaas le Clercq.
2 Olivier le Clercq is geboren omstreeks 1650 in Lannoy nabij Lille.
Bartholomeus is waarschijnlijk begraven te Amsterdam op 14 september 1694
 

 

Aanzicht Lannoy omstreeks 1620 met de burcht.

 

Een edelman uit Holland legde de fundamenten van Lannoy. Johan III, bijgenaamd ‘De Bouwer’, bouwde in 1452 een kasteel in dit gebied. Met de bouw van een toren en een stadsmuur werd Lannoy de eerste versterkte stad in net noorden van Frankrijk. In de 16e eeuw ontwikkelde de stad zich tot een dynamische kledingindustrie welke floreerde tot ver na de Franse revolutie. Protestanten (hugenoten)),waaronder de voorvaders van Franklin Delano Roosevelt, verlieten Lannoy tijden de vervolging en weken uit naar Amerika.
 
De vervolging van “ketters” is omstreeks deze tijd niet meer zo fel. De bevolking keurt een te strenge aanpak af, maar voor protestanten is het moeilijk zaken doen. Protestanten met eigendommen worden soms geprest hun eigendom te verkopen en dat voor een prijs die ver onder de werkelijke waarde ligt.
Een document uit 1621, eveneens afkomstig uit het archief te Lille, geeft daarvan een beeld.
“Olivier, Beltrimieu, Pierre, Denys en Jacques Leclercq en Jehan Coppeleu en zijn echtgenote Marguerite Leclercq verkopen vier honderd (een bepaalde oppervlakte) grond te Hem aan Anthoni Moreau, deurwaarder van de heren Staten van de stad Lille”.
  



Door de bekende vestingbouwer Vauban wordt Lille veranderd in een sterke vesting. De beroemde Citadel van Lille is tegenwoordig nog steeds te bezichtigen. Maar, nu lopen we de geschiedenis voor uit (website van de stad Lille).
 
 het Hugenotenkruis.




                   Tijdens  le Massacre de la Saint-Barthélemy (de Bartholomeüsnacht) van 23 op 24 augustus 1572 werden duizenden Hugenoten afgeslacht. Paus Gregorius XIII liet naar aanleiding van de Bartholomeüsnacht een loflied (Te Deum) schrijven en een herdenkingsmunt slaan. Aan de vervolgingen kwam in 1598 een voorlopig einde met het Edict van Nantes, uitgevaardigd door koning Henri IV van Frankrijk. Hendrik IV was zelf een Hugenoot maar werd gedwongen weer katholiek te worden om de Franse troon te kunen bestijgen
.
In 1662 komt in Frankrijk Lodewijk XIV, de Zonnekoning, aan de macht. Hij heeft zich o.a. voorgenomen de positie van zijn protestantse onderdanen onhoudbaar te maken. Van de daaruit voortvloeiende besluiten maken ze ook in Lannoy en omgeving kennis. Een stroom vluchtelingen richting Holland komt op gang. Ze brengen de meest hartverscheurende verhalen mee over de vernederende behandelingen door de Franse overheid. De nog in de omgeving van Lannoy wonende protestanten slaat de schrik om het hart. En het leed van vluchtelingen uit het grensgebied over aanvallen door Franse troepen doen het ergste vrezen.
In het gezin van Bart worden de ontwikkelingen met spanning gevolgd. Nog niet zo lang geleden is moeder Jehanne overleden. Haar begrafenis was een probleem. De geestelijkheid was niet ingelicht over haar sterven, en wilde men een plaats hebben op het plaatselijke kerkhof, dan is dit verplicht. Het is de plicht van een priester om een stervende protestant alsnog te bekeren. De begraafplechtigheid moet nu in alle stilte en in de nacht plaatsvinden.
 
  Lannoy en omgeving volgens de Michelinkaart in 2006


Bart heeft zich daarna voorgenomen, zodra de situatie in Lannoy voor zijn gezin onhoudbaar wordt, naar Leiden vertrekken. Eerder waren al vrienden van hem vertrokken. Soms met het achterlaten van niet meer te verkopen eigendom.
                          
                 
                  De kerk van Lannoy omstreeks 1982. In de toren van de kerk is ingemetseld een herinneringsplaquette van monsieur et madam Leclercq (foto familiearchief).
 
Zodra in de lente van 1664 de wegen wat meer begaanbaar worden is het zover. Wat hen nog in eigendom rest wordt verkocht. Ze laden hun huisraad en wat kleinoden in de gereedstaande karren en gaan op weg naar een onzekere toekomst in Leiden. Ze weten ook, dat blijven geen toekomst heeft. Ze laten Lannoy en omgeving achter zich.
 
 
           Medio 1600 was het niet eenvoudig om door het land te reizen. Over de grote rivieren kon je alleen met een veerpont oversteken. Zie hier het veer bij Breda.
    
               Via Roubaix, Kortrijk, Gent, Antwerpen, Bergen op Zoom en het veer bij Gorinchem naar Leiden.
Na een reis van vele weken, met veel oponthoud, overnachtingen in herbergen, ondervraging door nieuwsgierige soldaten, bereiken ze de stad Leiden.
Ondertussen is het door hen verlaten Lannoy in handen gevallen van de troepen van Lodewijk XIV.
 
Omstreeks eind juli 1664 nadert het eind van de reis. In de verte zien ze het markante profiel van de stad Leiden met zijn vele kerktorens en molens. Door gebrek aan wind staan de meeste wieken stil.
                                                                 
 
Leyden’.  Anno 1654.
Profiel van Leiden gezien van uit het zuiden met op de
voorgrond de Koepoortsbrug (uit: Gezicht op Leiden-de zeven singels)
 .
 
Over de Koepoortsbrug en daarna door de Koepoort rijden ze de stad binnen, aangestaard door burgersen buitenlui.
Het jaar 1664 is bijzonder heet. Erger is dat in Leiden een pestepidemie heerst. Dus slechter kan men het bij aankomst niet treffen.
In deze periode bereiken de sterftecijfers in Leiden een waarde tussen de 25 en 35%. Het is een wonder dat vader en zonen het hebben overleefd.
Het vinden van onderdak is hun eerste zorg. Logementen zijn er genoeg in de stad. Het eten is er eenvoudig en bestaat in hoofdzaak uit een stuk varkensvlees en brood. De kwaliteit van het drinkwater is slecht. Beter is het eten met bier weg te spoelen.
De plaats om met vakgenoten kennis te maken is de Lakenhal. Bart komt hier in contact met mensen uit de lakenhandel. Als drapier van beroep moet hij proberen een positie in de lakenhandel te verwerven en dat juist in een tijd dat de gouden tijden voor de stad voorbij zijn. De concurrentie is groot en de werkomstandigheden zijn niet al te best.
Goede huizen zijn schaars. Voor een woning moet Bart zich melden bij de Bonmeester, een wijkbestuurder. De Bonmeester houdt bij wie in de wijk komt wonen en wie vertrekt. In De Camp kunnen ze een, zij het kleine, woning huren.
Omdat daar in het Frans gepreekt wordt lijkt het Bart verstandig zich aan te sluiten bij de Waalse gemeente. Daarbij komt dat de leden van de Waalse Kerk hun verleden met hem delen.
 
Waalse kerk.
Begin augustus 1664 melden ze zich bij de kerkmeester van de Waalse Kerk en bieden daar hun geloofsbelijdenis aan. In het lidmatenboek van de kerk is dit als volgt vastgelegd, “ C’est presente pour etre reçu par confession de foi a la Sene de aug 1664 Le Clerc Nicolaas et Olivier accompagnee leur pere Bertholomi Le Clerc” (Nicolaas en Olivier Le Clerc, vergezeld van hun vader bieden aug 1664 hun geloofsbelijdenis van het laatste avondmaal aan).
Werk is er nog wel te vinden. Het Leidse laken is een veelgevraagd product met uitmuntende kwaliteit. In de kleine straatjes met de wevershuisjes gonst het dan ook van activiteit. Het geklepper van de weefgetouwen en het gesnor van spinnewielen is niet van de lucht.
  
  Het interieur van een wevershuisje, waarbij alles draaide om het grote weefgetouw.
Het zijn vooral vluchtelingen uit het zuiden die hun werk vinden in de lakenindustrie. Maar, als gevolg van de druk die de bisschop van Munster op de Luthersen uitoefent, zijn er ook vele gezinnen uit Duitsland naar Leiden vertrokken.

Olivier wordt greinwerker. In de volksmond worden ze roodwerker genoemd. Grein =karmijn is een scharlakenrode kleurstof waarmee laken wordt geverfd. Aan het eind van een werkdag heeft Olivier dezelfde kleur als die van de verfstof.
Vader Bart had als drapenier bij het zoeken naar een zakenpartner Lambert Hambeeck uit Schüttorf, een gehucht nabij Bentheim, in Duitsland ontmoet en raakt met de familie bevriend. De familie Hambeeck, vader met zoon Marten en dochter Geertruyd, woont in de Breestraat, één van de belangrijkste straten in het centrum van Leiden.
Een drapenier kocht wol en andere grondstoffen in voor eigen rekening en bracht die dan naar de mensen die voor hem werkten.
 
Schüttorf, markktplein met fontein en raadhuis 2007 (website stad Schüttorf).
Het in het Graafschap Bentheim gelegen Schüttorf is het oudste stadje van het graafschap. Het kreeg op 13 november 1295 (de zondag na Allerheiligen) stadsrechten van Graaf Egbert van Bentheim. 
  Het meest zichtbare kenteken van dit Vechtstadje is de 81 meter hoge toren, in 1535 gereedgekomen, van de Evangelische kerk.
 
 
 
Schüttorf omstreeks 1650 (Ruisdael)
 
Schüttorf was in de middeleeuwen een machtige vestingstad en was gedurende lange tijd belangrijker dan het naburige Bentheim. Ooit vergat iemand de molenpoort (een stadspoort) te sluiten, waardoor plunderende soldaten de stad binnendrongen. Toen de Schüttorfer smeden dit onheilsbericht ter ore kwam bewapenden zij zich met gloeiende ijzeren staven, waarmee zij de indringers te lijf gingen. Deze kozen ijlings het hazenpad. Later werden deze staven omgesmeed tot zwaarden, althans zo luidt de legende. Iets van het verhaal moet waar zijn, want in het raadhuis kunnen tot op de dag van vandaag enkele oude zwaarden worden bewonderd.Het laatgotische raadhuis van Schüttorf met zijn karakteristieke trapgevel dateert uit de 15e eeuw. De zonnewijzer werd in 1760 boven de ingang van het raadhuis aangebracht. In de muur bevindt zich een ingemetselde ijzeren staaf. Dat is de zgn. el van Schüttorf, die 68 cm. meet. Het was de gebruikelijke maat bij het afpassen van linnen, dat in Schüttorf verhandeld werd.
De door Schüttorf kronkelende rivier de Vecht heeft eeuwenlang deel uitgemaakt van de handelsroute met een groot aantal handelsplaatsen in Nederland en was op deze manier de levensader van het stadje. Vanuit Schüttorf werd gedurende vele jaren Bentheimer zandsteen verscheept. Via de Vecht werden de grote stukken zandsteen in houten platboomschuiten naar het nabij gelegen Nederland vervoerd. Maar ze gingen ook naar andere Europese landen. De Vecht dankt zijn naam aan een prins, Vechtan geheten. Naar het verhaal wil is hij in de rivier verdronken. Voordien, d.w.z. voordat het gebied gekerstend werd, werd het riviertje Vidrus genoemd.
 
Schüttorf en omgeving in 2006. Op de achtergrond de 81 meter hoge kerktoren van de Evangelische kerk.


  Omstreeks 1640 wordt in deze kerk gedoopt Geertruyd Hambeeck (foto familiearchief).
Tijdens een van de familiebezoeken raken Olivier en Geertruyd verliefd op elkaar.
Op zaterdag 2 mei 1670 gaan ze in ondertrouw. Olivier wordt hierbij vergezeld door zijn vader en Geertruyd heeft als getuige haar vriendin meegenomen.
 Even voor twaalf uur laten ze zich inschrijven in het ondertrouwregister in het stadhuis aan de Breestraat. Op 26 mei trouwen ze in de Mare kerk.
Aan de Binnenvestgracht, in de directe omgeving van de Marepoort, huren ze een huis.
Een uitstekende plek om te wonen want op zondagen en ander vrije uren zijn ze bij mooi weer meteen buiten de poort.  
 
 
 Kaartfragment van een deel van de stad Leiden Links midden de Marepoort met de Koepoortsbrug (uit: Gezicht op Leiden-de zeven singels).
 
 
 Gezicht op de "Marepoort" met  de trekschuit uit Haarlem. De trekschuit uit Haarlem vaart hier richting de Marepoort (uit: Gezicht op Leiden-de zeven singels).
 
    
  
In de trekschuit, rokerig en vaak vol        
  

De Marepoort gezien vanaf de stadzijde. Voor de poort rechtsaf de Binnenvestgracht naar de woning van Olivier en Geertruyd. In het spiegelende water liggen drie trekschuiten te wachten tot zij door de Marepoort hun reis naar Haarlem kunnen beginnen (uit: Gezicht op Leiden-de zeven singels).
 
 
Buiten de poort is het een komen en gaan van trekschuiten en reizigers  uit en in de richting Haarlem. Van uit Leiden vertrekt de eerste schuit om vier uur in de ochtend, de laatste om elf uur in de avond. De reis naar Haarlem door de Leidsevaart en omgekeerd duurt ongeveer 4 uur. 
 
  Komend uit de Binnenvestgracht hebben ze meteen zicht op het markante beeld van de Marekerk (uit: Gezicht op Leiden-de zeven singels).
 
Het huis van Olivier en Geertruyd zal ongeveer de vorm en indeling hebben gehad zoals hier is afgebeeld. Het voorhuis ligt direct aan de straat, maar dit gedeelte wordt meestal gebruikt als werkruimte van het beroep. Bij de lakenwevers staat daar het weefgetouw. De keuken is niet alleen in gebruik voor bereiden van het eten, maar er wordt in gewoond en door de ouders geslapen in de bedstede. Door Geertruyd wordt de keuken ook gebruikt voor het kammen van de wol en te spinnen.
De verdieping en vliering zijn ingericht als slaapruimte voor de kinderen, maar meestal staat ook daar nog een weefgetouw.
  
         
Bij opgravingen in Leiden gevonden aardewerk uit de periode 1600-1700.
 
Hun eerste kind Jehanne, vernoemd naar de in Lannoy overleden moeder van Olivier, wordt geboren op 16 augustus 1672. Direct na de geboorte wordt het door de baker gewassen met water en boter en vervolgens nog een keer gewassen, maar nu met  brandewijn. Daarna ingepakt in een linnen luier waarover nog eens een wollen luier wordt getrokken, zodat het stijf als een plank onbeweeglijk in de bakermat gelegd kan worden.
  De bakermat is een grote, meestal van gevlochten wilgentenen, mand met een hoog opgaande achterkant. Met haar rug tegen de hoge kant en de baby op schoot wordt deze gevoed en verschoond. In die tijd was men bang dat de baby het te koud zou hebben. De bakermat werd daarom dicht bij het het vuur van de open haard geplaatst zodat moeder en kind het lekker warm hebben. Een kind dat te kort bij het vuur gebakerd werd zou daarom volgens het volksgeloof er een te heftig temperament van overhouden: het bleef heetgebakerd. Na gebruik kon de bakermand aan de muur opgehangen worden. Door de baker wordt de voeding klaargemaakt, meestal bestaande uit een lepeltje honing en, wat later, in bier geweekt brood. De gewoonte is het kind zo snel als mogelijk na de geboorte ten doop te houden, als het kan de dag er na.
Hun tweede kind, Bartholomeus, vernoemd naar grootvader Bart, wordt een jaar later geboren.
Op 25 juli 1673 wordt hij in de Hooglandse kerk gedoopt. Bij deze plechtigheid zijn als getuigen aanwezig Nicolaas le Clercq, broer van Olivier, en Grietje Willems, de vrouw van Nicolaas waarmee hij in 1669 is getrouwd, evenals Marten Hambeck, een broer van Geertruyd, en Jannetje Vermeulen, een vriendin van Geertruyd.
Gedurende de jaren worden geboren:
Maria, gedoopt op 23-01-1676.Lambert. Hij is gedoopt op 03-04-1678 in de Marekerk. Annetie. Zij is op 04-02-1682 in de Marekerk gedoopt. Johanna Maria, zij is gedoopt op 19-04-1684 in de Pieterskerk, en Olivier. Hij is gedoopt op 24-04-1687 in de Hooglandse Kerk.
  
De recreatie speelde zich in hoofdzaak buitenshuis af. Voor de ouderen waren het de herbergen, voor de kinderen de straat. Op straat werden allerlei spelletjes gedaan.
Buiten de stad dienden de singels tot wandelplaats, ruimte en natuur was daar in overvloed aanwezig. Ook lagen daar de volkstuinen. Bekend was ‘het doen van de zeven singels’ op een mooie zomerdag.
Gedurende de wintermaanden was er het ijsvermaak op de veelal bevroren vaarten en grachten.   
 
 
Een kijkje over het Galgewater in de winter.
In de verte de koepel van de Marekerk (uit: Gezicht op Leiden-de zeven singels).
Zodra Bart (Bartholomeus) drie jaar is sturen ze hem naar de kleinkinderschool. Daar worden hem de letters van het alfabet, enige gebeden en “kleine vraagjes” uit de catechismus bijgebracht. De meisjes leren er bovendien breien en naaien. Door de kinderrijke buurt is de school overvol, van les geven komt niet zo veel terecht.
Naar de grote school gaat Bart zodra hij 5 jaar oud wordt.
De stad is in wezen één groot woonerf. Karrenvoerders rijden stapvoets tussen de andere weggebruikers. De bierdragers, die aan een groot juk een vat meezeulen, sjouwers die op platte kruiwagens de vellen en balen wol vervoeren en luidkeels hun komst aankondigen. Ganzenhoeders die een koppel gakkende waggelaars naar de markt drijven, maken de stad tot een waar speelgebied waar steeds wat te beleven valt.

 
De Stille Rijn en Aalmarkt omstreeks 1660.
Op de brug activiteiten van marktkooplieden en een aantal voorbijgangers (uit: Gezicht op Leiden-de zeven singels)
.
En de grachten lenen zich voor om met de kleine bootjes stiekem te gaan varen. Het water in de grachten stinkt, de grachten worden gebruikt als open riool. Niet geschikt om in te zwemmen.
Spelen in huis is bijna niet mogelijk, het huis is daarvoor te klein of staat vol met werktuigen. Als je al in huis was, dan is het meestal om vader of moeder te helpen
en zo spelenderwijs een beroep te leren. De straat is het speelgebied, en zo gauw het maar even mogelijk is zit het hele gezin buiten.
Vader, smokend een pijp, moeder met het jongste kind die ze uitvoerig de haren kamt, of met haar spin- of kantwerkje in de hand.


De jongens met hun korte kuitbroeken en hun fluwelen valhoeden vol linten en veren, en de meisjes met pittige, meestal witte kapjes en stugge lange rokken.
Afhankelijk van het jaargetijde, de weersomstandigheden en leeftijd spelen ze spelletjes als kaatsen, schommelen, steltlopen, knikkeren, blindemannetje, schuilevinkje, verstoppertje, haasje-over, knikkeren, tollen met de zweep, steentje-beentje, touwtje springen, hoepeltje drijven, vliegeren, stokje-in-de-hel, stokpaardje rijden en het bellen of bobbels blazen. 
  
 
Een weekmarkt omstreeks 1700 (uit: Gezicht op Leiden-de zeven singels).
Naast de ijs- en sneeuwspelletjes in de winter gebruiken jongens bij voorkeur pijl en boog. Omstreeks half mei wordt er gekaatst met de bal. In augustus worden vliegers opgelaten en in oktober is het zweepklappen, touwtje springen en hoepelen het meest in trek.
Geliefde meisjesspelen zijn het spel met de pop en knikkeren.
 
In een straat, op steenworp afstand, woont Jannetje Hagen, dochter van Albert van der Hage en Maria Kension. Buiten de wallen, uit het zicht van nieuwsgierigen, is er voor Bart en Jannetje voldoende vrijheid elkaar ongestoord te ontmoeten en eeuwige trouw te beloven.
Ze trouwen op 7 oktober 1696 in de Pieterskerk. 
 
 Midden in het oudste gedeelte van Leiden verheeft zich boven de huizen de Pieterskerk. De kerk is gewijd aan de apostel Petrus die als symbool de sleutels van de hemelpoort met zich meedroeg (uit: Gezicht op Leiden-de zeven singels).
Aan de Langegracht, op korte afstand van hun ouders huren ze een woning. Bart, door zijn vader opgeleid tot greinwerker, zet daarin zijn beroep voort.
Precies zeven maanden na hun trouwen wordt hun eerste kind geboren, Johannes.
“Tussen 1670 en 1830 was ca. 29% van de Hervormde bruiden zwanger op de trouwdag waarbij het kind geboren werd binnen zeven maanden na voltrekking van het huwelijk. Hoewel aparte slaapkamers pas aan het eind van de 17e eeuw in gebruik kwamen en, zo het paar toch alleen werd gelaten, kon er weinig gebeuren waar de omgeving niet op bedacht was. Toch was er altijd wel een plaats te vinden waar men ongezien bij elkaar kon zijn”.
Ruim twee jaar later wordt in de Marekerk dochter Maria gedoopt. In dezelfde kerk wordt, opnieuw twee jaar later, op woensdag 21 december 1701, zoon Bartholomeus ten doop gehouden.
Een heugelijke gebeurtenis die overschaduwd wordt door de economische crisis.
                                    
  
De Marekerk omstreeks 1750 (uit: Gezicht op Leiden-de zeven singels).
In Engeland is de productie van een goedkoper laken op gang gekomen en dit product blijkt een groot succes. Buitenlandse afzetgebieden stagneren of sluiten als gevolg van de heersende economische crisis.
Het loon van Olivier daalt in plaats van te stijgen. Verdiende men in 1650 gemiddeld nog zeven gulden in de week, in 1700 is dit nog maar viereneenhalve gulden.
Een groot deel van de textielarbeiders pikt dat niet langer en legt het werk neer.
De eerste staking in Leiden is een feit. Het stadsbestuur maakt er korte metten mee. De aanstichters worden een paar dagen later aan de galg gehangen.
En daarmee is de staking voorbij.

Voor iedereen die op één of andere wijze met de textielindustrie te maken heeft breekt een tijd van armoede aan.
Gelukkig is er brood in overvloed en niet duur. Naast veel brood eten ze gort, erwten, bonen en wortelen. Velen wachten de verdere ongemakken niet af en verlaten de stad op zoek naar werk elders in het land.
De strenge winter van 1709 veroorzaakt een grote duurte van levensmiddelen.
De graanprijs (het grootste bestanddeel van het dagelijkse brood) vliegt omhoog. Voor vele minder gesitueerden betekent dit hongersnood.
Elders in het land spelen zich andere rampen af. Dramatisch zijn de kerstvloeden. In 1717 bespringt de zee het land in Holland en Friesland. Sommige bronnen spreken over 20.000 doden, andere bronnen noemen een aantal van 13.300 slachtoffers. Verder gaan 100.000 stuks grootvee verloren en 5000 huizen en andere gebouwen.
Nieuws is ook dat op 9 september 1718 een walvis in de Theems bij Londen zwemt.
Ondanks alle sombere toekomstvoorspellingen besluiten Bart en Jannetje de stad trouw te blijven.
In hun woning aan de Langegracht neemt het aantal kinderen gestaag toe.                   
Op 31 augustus 1704 wordt zoon Aalbert gedoopt in de Marekerk.                                    
In dezelfde kerk wordt op 8 februari 1708 Abram gedoopt.                                  
Dochter Geertruyt wordt gedoopt op 2 november 1712 in de Hooglandse kerk.             
En op 31 december 1715 wordt daar zoon Abraham gedoopt.
De kleine Bart groeit op in een stad waar huizen leeg komen te staan en op straat steeds minder vertier plaats vindt. Toch zit er ook een positief kantje aan de afnemende werkgelegenheid. De grachten worden schoner waardoor de stank van het toch nog altijd smerige water afneemt.
Toch komt ook de jonge Bart de dag dat het leven op school voorbij is en de harde werkelijkheid van het bestaan moet worden opgepakt.
Het beroep van zijn vader vindt hij maar niks. Te smerig. Hij wordt lakenwever.
Omdat er nu ruim voldoende huizen in de stad beschikbaar zijn verhuizen ze naar een rianter onderkomen, aan de Langegracht nabij de Voldersteeg. De lakenwevers verwerkten de garens in de voorkamers van hun huisjes. Daar stond het grote weefgetouw, waarop het laken werd geweven.
Nadat de wol was gewassen, werd deze met kammen bewerkt om de vezels parallel te leggen als voor bereiding op het spinnen van kamgaren.
Het winden van de ketting of schering rond de kettingboom van de weefstoel was vervolgens werk voor specialisten. Het weven vereiste eveneens vakkennis en veel wevers hadden leerjongens in dienst.
Het horizontale weefgetouw werd door twee mannen bediend. Twee mannen waren nodig om extra breed laken te kunnen weven. Terwijl het weven mannenwerk was geworden, bleven bij het spinnen of het opzetten van de ketting vaak vrouwen werkzaam.
 

Bij opgraving in Leiden gevonden aardewerken eetkom met opschrift “Deugt en eer” uit de 18e eeuw.


Op 22 jarige leeftijd trouwt hij met Marijtje de Koningh, dochter van Pieter de Koningh, drapenier, en Catharina Houtheeze.
 Het jonge paar huurt een huis in de Verwerstraat. De buren zijn, op een enkele uitzondering na, werkzaam in de lakennijverheid. Zo wonen er spinners, kammers, vollers, ververs en lakenwevers.
Het huis heeft een voor- en achterkamer en een vliering. De voorgevel is een bakstenen klokgeveltje.
Het weefgetouw neemt bijna het gehele voorhuis in beslag. In de achterkamer wordt gekookt, gegeten, geslapen en door Marijtje gebruikt om wol te spinnen. De vliering wordt als slaapkamer voor de kinderen ingericht.
Voor het laatste nieuws drinken ze een biertje in het “vaantje”, een buurtkroegje waar alleen bier wordt getapt.
Acht maanden na hun trouwen verschijnt de baker voor het eerst aan de deur. Dochter Jannetje, vernoemd naar de moeder van Bart, dient zich aan en wordt op 18 februari 1725 gedoopt in de Loodskerk. Drie jaar later, op 21 maart 1728, wordt in de Pieterskerk zoon Bart ten doop gehouden.
In het doopregister van de Pieterskerk wordt de naam Le Clercq als De Kler geschreven.
Vader Bart vindt het allemaal wel prima. Zijn zoon is gedoopt en dat is voor hem het belangrijkste op dat moment.
Niet ver van de Verwerstraat ligt de Haven. Daar is het echt druk. Reizigers arriveren en nemen, indien nodig, hun intrek in herberg “In de Werkkuip”.
 
  Het interieur van een herberg in de 17e eeuw (uit: Gezicht op Leiden-de zeven singels).
Met ratelende wielen rijden wagens langs de haven waar schepen worden beladen en gelost.
Voor de opgroeiende Bart en zijn vrienden valt daar echt van alles te beleven. Spelend bij de haven of op de wallen en de bolwerken bij de Zijlpoort kunnen ze de schepen van en naar Leiden van dichtbij voorbij zien varen. Soms is ook de korenmolen ’t Lam doelwit van hun bezoek, hoewel de molenaar hen liever ziet gaan dan komen. 
 Waarschijnlijk zal Bart in zijn jeugdjaren  er weinig van hebben gemerkt, maar de omgeving van de haven en de Zijlpoort staat
bekend als één van de rosse buurten van de stad.
 De Zijlpoort en omgeving (uit: Gezicht op Leiden-de zeven singels).
 
  
Kaartfragment Leiden (uit: Gezicht op Leiden-de zeven singels).
b Verwer Straat; c West Havenstraat; d Oost Havenstraat. Rechtsboven de Zijlpoort
 
De kinderen van Bartholomeus en Marijtje (Maria) zijn:
1 Jannetje de Klerk. Zij is gedoopt op 18 februari 1725 te Leiden in de Loodskerk.
2 Bart (Bartholomeus) de Kler, geboren in Leiden.
3 Pieter de Kler. Hij is gedoopt op 20 december 1730 te Leiden in de Marekerk.
4 Albert de Klar. Hij is gedoopt op 18 oktober 1733 te Leiden in de Hooglandse kerk.
5 Olivier de Kler. Hij is gedoopt op 29 januari 1736 te Leiden in de Loodskerk.
6 Johannes de Kler. Hij is gedoopt op 27 november 1738 te Leiden in de Hooglandse kerk.
7 Geertruy de Klair. Zij is gedoopt op 22 augustus 1741 te Leiden in de Hooglandse kerk.
8 Jakobus de Kler. Hij is gedoopt op 10 november 1743 te Leiden in de Loodskerk.
9 Willem de Kler. Hij is gedoopt op 28 februari 1748 te Leiden in de Hooglandse kerk.
Het jaar 1740 wordt gekenmerkt door meteologische calamiteiten. Het begon al in de herfst van 1739 met strenge vorst. Op 21 januari 1740 rijden mensen met paard en slee van Stavoren naar Enkhuizen.
De prijs van hooi- en andere gewassen is door de late inzet van het groeiseizoen zeer hoog. Tot overmaat van ramp eindigt het jaar met novemberstormen en een vroeg invallende vorst.
In de winter van 1740-1741 is het water uit de rivieren de grote boosdoener. Grote delen van Midden-Nederland komen meters onder water te staan.
Net als zijn vader wordt Bart spelenderwijs lakenwever. Veel keuze is er overigens niet door gebrek aan ander werk. Ook zijn broers kiezen voor het beroep van lakenwever. Hun opleiding krijgen ze thuis en dat scheelt vader Bart in de inhuur van werkkrachten.
Tijdens een zomerfeest, waarin Bart zich met zijn vrienden in alle hevigheid stort, ontmoet hij Maria Wijnobel. Zij is de jongste dochter van Pieter Wijnobel en Maria Ligtvoet. Ze woont in de Koolstraat, dus bijna binnen handbereik.
Met de textielindustrie gaat het bergafwaarts. Een flink deel van de textiele nijverheid is naar het Brabantse Tilburg overgeheveld. Daar liggen de lonen nog lager dan in Leiden. In Holland beginnen de relletjes in 1747 in het door crisis wegkwijnende Haarlem waar pachtershuizen worden geplunderd. Het oproer slaat over naar Leiden. Overal moeten regenten het ontgelden omdat zij profiteren van de misstanden waar het volk onder lijdt.
  Aan de Aalmarkt stond het huis van een belastings-pachter. Op 17 juni 1748 bestormden een woedende menigte het huis. De inboedel werd kort en klein geslagen en uit het raam gegooid. De bestuurders zaten met de handen in het haar, want de Schutterij kwam niet in het geweer om bescherming te bieden (uit: Gezicht op Leiden-de zeven singels).
Op 13 juli 1749 trouwen Bart en Maria in de Pieterskerk. De bruid is 27 jaren oud, de bruidegom 21 jaren.
Na ruim een jaar wordt dochter Marijtje geboren, twee jaren later dochter Krijna en op
6 augustus 1754 wordt hun eerste zoon gedoopt in de Hooglandse kerk. Hij krijgt de naam van zijn grootvader, Pieter.
 
  
Kaartfragment van Leiden met de Pieterskerk (uit: Gezicht op Leiden-de zeven singels).
 
De kinderen van Bart en Maria zijn:
1 Marijtje de Kler. Zij is gedoopt te Leiden in de Hooglandse kerk op 5 mei 1750.
2 Krijna de Kler. Gedoopt te Leiden in de Loodskerk op 26 maart 1752.
3 Pieter de Kleer. Hij is geboren te Leiden op 8-1754 in Leiden.
4 Crijna de Kler. Gedoopt te Leiden in de Marekerk op 31 oktober 1756.

5 Kaatje de Kler. Gedoopt te Leiden in de Hooglandse kerk 12 juni 1759.
6 Kaatje de Kler, Gedoopt te Leiden in de Loodskerk op 1 januari 1763.
7 Bart de Kler. Hij is gedoopt te Leiden in de Pieterskerk op 30 oktober 1765.


De armoede krijgt ook greep op hun bestaan. Hun inkomen valt weg en daarmee de bron van hun bestaan. Er is onvoldoende eten voorhanden om de kinderen te voeden. Eerst sterft dochter Krijna en later dochter Kaatje.
Een paar jaar later begraven ze ook hun grootvader Bart. Hij heeft de leeftijd van 60 jaar net niet kunnen halen. Door de familie wordt hij begin november 1751 begraven op het Papegaaijs Bolwerk.
Leiden wordt een stad waar het voor de kinderen van Bart en Maria slecht toeven is en weinig plezier oplevert. Helaas is er geen alternatief. De vader van Maria, drapenier van beroep, doet er alles aan om het gezin te laten overleven. Het is een druppel op de gloeiende plaat. Zoon Piet groeit op met de gedachte dat de lakenindustrie slechts armoede troef is. Geld voor schoolbezoek is er niet. Hij is niet de enige in Leiden.





TER AAR  1780 tot 1860

De lakenindustrie loopt op zijn eind en ander werk is in Leiden bijna niet te vinden. Met het vertrek van de lakenindustrie naar andere streken van het land zijn ook de meeste vakmensen uit de stad verdwenen.
Andere mogelijkheden zijn er niet en als zoveel andere jonge mannen laat ook Piet de stad achter zich en gaat als knecht werken bij boeren in de omgeving van Leiden. Hoofdzakelijk is het seizoen werk en het is iedere keer weer afwachten of er voldoende werk is.
Van s’morgens vroeg tot s’avonds laat moet er flink worden aangepakt. Maar, veel keus is er niet en er is wel steeds eten op tafel. De perioden dat hij wat langer op dezelfde plaats blijft werken nemen toe. Wat dat betreft speelt zijn toenemende ervaring met het boerenwerk daarbij een rol.  Hoewel de afstand tussen Leiden en Hazerswoude wel te belopen valt, gaat hij voor een langere periode in Hazerswoude werken en wonen. En daar ontmoet hij Lijsje Baane, dienstbode in de huishouding bij een beter gesitueerd gezin.
Het besluit met elkaar te trouwen komt toch nog onverwacht. De reden daarvoor laat niet op zich wachten.
In de Nederduitsch Gereformeerde kerk van Hazerswoude wordt, na de nodige afkondigingen, op 11 september 1785 het huwelijk voltrokken. In de huwelijksakte wordt hij bij herhaling Pieter de Klaar genaamd.
Pieter de Klaar J.M. geboren te Leijden met
Leijsje Bane J.D. geboren de Koudekerk en
beijden wonende onder Hazerswoude. Pro Deo aangetekend.
Uit Gaardersregister van Hazerswoude:
Pieter de Klaar J.M. geboren te Leijden en woonende alhier
met Leijsje Baane J.D. geboren te Koudekerk en woonende meede alhier.
En verklaare wij onderget. ons aan te geven weegens het middel van trouwen onder de classis van de onvermogenden.
 
De huwelijksakte Pieter de Klaar met Lijsje Baane
 
Na de plechtigheid vertrekken ze naar Alphen a/d Rijn. Daar heeft Piet een beter betalende werkgever gevonden. Op de trouwdag is Lijsje ruim 6 maanden zwanger en dat betekend dat ze niet zonder onderdak kunnen.

 
Het interieur van een woning omstreeks 1700
Met hulp van vader Baan vinden ze een prima huis om in te wonen en dat is nodig ook, want op 6 december, minder dan 3 maanden later bevalt ze van zoon Baan. Grootvader Baan kan zijn geluk niet op, een kleinzoon en naar hem vernoemd.
Eind 1787 houden ze het in Alphen wel weer voor gezien. Met zoon Baan en de in 1787 geboren dochter Maria verhuizen ze naar Ter Aar.  
 

Langeraar omstreeks 1800 


De kinderen van Pieter en Lijsje zijn:
1 Baan, geboren op 6 december 1785 in Alphen a/d Rijn. Hij wordt gedoopt op 7 december 1785 in Alphen a/d Rijn. Hij trouwt op 14 januari 1818 te Ter Aar met Geertje Bouwman, dochter van Jan Bouwman en Niesje Wanschapen. Baan overlijdt op 1 oktober 1826 in Ter Aar.
2 Maria, geboren op 30 maart 1787 in Alphen a/d Rijn. Zij wordt gedoopt op 1 april 1787 in Alphen a/d Rijn. Bij de doop is als getuige uit Leiden overgekomen Maria Wijnobel. Maria overlijdt op 27 december 1790, 3 jaar oud.
3 Bart, geboren op 28 mei 1788 in Langeraar. Hij wordt gedoopt op 1 juni 1788 in Ter Aar. Hij trouwt op 22 september 1816 in Oudshoorn met Angenietje Mulder, dochter van Hermanus Mulder en Jannetje Kroon. Zij is geboren op 5 oktober 1786 in Oudshoorn. Bart overlijdt op 11 september 1847 te Oudshoorn. Getuige bij aangifte Pieter de Kleer, 27 jaar, klapperman.
4 Philip, geboren op 27 september in Ter Aar. Hij wordt gedoopt op 4 oktober 1789 in Ter Aar. Getuige bij de doop is Jannetje Baane, peet en doophefster. Philip overlijdt op 29 januari 1790 in Ter Aar, slechts 4 maanden oud.
              
5 Ingetje, geboren op 12 september 1790 in Ter Aar. Zij wordt gedoopt op 24 september 1790 in Ter Aar.
Dat de gezondheid van vader Piet het minder goed gaat blijkt uit een op 21 juni 1791 opgemaakt testament.
 
 


Eerste en laatste pagina van het testament van Pieter de Kleer, "seer gevaarlijk ziek te bedde leggende" en Lijsje Baane, 21 juni 1791. Zij benoemden elkaar tot erfgenaam en tot voogd over de minderjarige kinderen.

Donderdag 16 februari 1792 is het opnieuw een bijzondere dag voor
het gezin, zoon
6 Pieter is geboren Hij is de zesde in de rij en krijgt de naam van zijn vader. Het kost zijn vader een werkdag en die wordt niet doorbetaald.

Op zondag 26 februari 1792 wordt hij gedoopt door de Eerw. Henricus Huyzer in de Nederduitsch Gereformeerde kerk van Ter Aar. Doophefster is Marijtje Immens. Tante Marijtje de Cler, voor deze plechtigheid met de trekschuit overgekomen uit Leiden, is peet.
Voor zover mogelijk gaat in Corter Aar het leven zijn normale gang. Het wereldnieuws dringt er schaars en langzaam door. De tijden worden wel steeds moeilijker op allerlei gebied. Partijschappen tussen de prinsgezinden en de patriotten (de tegenstanders van het Oranjehuis) onder Franse invloeden gaan zich vormen en het krijgsrumoer verbreidt zich zowat over heel Europa. De Leydse Courant van vrijdag 17 februari 1792 doet naast de gebruikelijke advertenties uitgebreid verslag van de met elkaar ruzie makende patriotten in Parijs.
De kleine Piet zal van dit alles weinig hebben gemerkt, maar eind 1795 bereiken Franse troepen de grote rivieren in Nederland. Niet veel later, het vriest die winter dat het kraakt, trekken ze over de volledig bevroren Waal bij Zaltbommel verder Nederland in. Stadhouder Willem V wacht hun komst niet af en vertrekt 18 januari 1795 naar Engeland.
Het begin van de nieuwe tijd, de Bataafse republiek.
Piet zal niet veel hebben gemerkt hebben van het dansen rond de meiboom.


7 Marijtje, geboren op 8 november 1795 in Ter Aar. Zij wordt dezelfde dag gedoopt in de Nederduitsch Gereformeerde kerk van Ter Aar. Bij de doop zijn aanwezig Kaatje de Kleer en Marijtje Baane, peet en doophefster
8 Jannigje, geboren op 29 januari 1797 in Ter Aar. Zij wordt gedoopt op 1 februari 1797 in de Nederduitsch Gereformeerde kerk in Ter Aar.
In Ter Aar wordt de macht overgenomen door een revolutionair comité. De bewoners krijgen voor het eerst in februari 1795 met de nieuwe machthebbers te maken.
Intussen wordt Nederland overstroomd met een bezettingsmacht van Franse militairen die onderhouden en verzorgd moeten worden. Steeds als de afgedraaide en uitgehongerde legionairs op krachten zijn gekomen gaan ze terug naar Frankrijk.
De oudere kinderen zingen, buiten het gehoor van  Fransgezinde, het volksliedje, “Hop Marjanneke, stroop in ’t kanneke, laat de poppetjes dansen. Eertijds was de Pruis in ’t land en nu de kale Fransen”.
De oorsprong van de uitdrukking ‘met de Franse slag’ ligt ook in deze tijd en geeft weer hoe men tegen de Fransen aankijkt. ‘Met de Franse slag’ heeft ook iets met jaloezie te maken, waarschijnlijk vanwege de zwierige, losse en wat nonchalante wijze waarmee de Fransen met de dingen omgaan. 
Bij al die veranderingen en nieuwigheden van het voordien zo rustige dorpje krijgt men ook te maken met de gevolgen van het Reglement voor de Burgerwapening. Dit reglement gebiedt dat alle ongehuwden van 18 tot 35 jaar en gehuwden van 18 tot 28 jaar zich moeten laten inschrijven.
Vader Piet heeft werk in de tuinbouw. Echter, als gevolg van een slopende ziekte moet hij op zijn werk steeds vaker verstek laten gaan. En dat houdt in, niet werken dus ook geen geld. Op 25 januari 1798 overlijdt hij, slechts 44 jaar oud. In Ter Aar, aan de voet van de Oude kerk, wordt hij begraven.

Moeder Lijsje blijft achter met 6 kinderen. De jongste is juist 1 jaar geworden, zoon Baan is 12 jaar oud.
Met het overlijden van haar man komt er ook geen geld meer binnen. Gezien de slechte positie van het gezin hoeven ze bij het gegraven geen Ambachtsrechten te betalen. Ze vallen in de klasse “pro Deo”.
De meer gegoede inwoners van Langeraar laten zich in de kerk begraven, maar ze moeten daar dan wel flink voor in de beurs tasten.
Een paar maanden later staan ze opnieuw op het kerkhof, nu om dochter en zusje Jannetje te begraven.
De tijden zijn hard voor het gezin. De weinige spaarcenten raken snel op waardoor ze eind 1798 aangewezen zijn op financiële hulp van de kerk.


De financiële verantwoording van de diaconie van Ter Aar geeft voor wat betreft de verstrekking van geld aan weduwen en wezen gedurende deze jaren een goed beeld van de inkomsten van het gezin van Lijsje.
Per kind krijgt ze 6 stuivers in de week.
Een belangrijk deel van dit geld is door Ds. Huyzer bijeen gesprokkeld. Hij bezoekt de familie van Lijsje in Koudekerk en weet daar een jaarlijkse ondersteuning van 11 stuivers per week voor 4 kinderen te bedingen. Van kennissen in Alphen krijgt hij de toezegging dat zij Baan een jaarlijkse toelage van 6 stuivers per week zullen geven. De door Ds. Huyzer bijeen geschrapte stuivers gaan naar de diaconie en worden door de kerk aangevuld tot een bedrag van 6 stuivers per week voor ieder kind.
In totaal krijgt Lijsje dus  ƒ 52,40 per jaar voor de opvoeding van de kinderen.
Het blijft een karig bestaan. De oorzaak daarvan wordt mede veroorzaakt door de slechte economische situatie in een groot deel van Holland. En dit is weer het gevolg van het moeten voeden van het grote aantal Franse legionairs.
Werkloosheid en armoede teisteren het land. Voor kinderen is er vaak wel werk te vinden. En dus tiert kinderarbeid welig. Zodra ze van school komen worden ze meteen ingezet in het arbeidsproces.
Op school krijgen ze les van meester Joannis Voorn. Hij is ook voorlezer en voorzanger in de kerk.
De les is van 9 tot 12 uur en van 1 tot 4 uur. In de zomermaanden mogen de kinderen ook nog van 5 tot 7 uur in de klas zitten.
In de wintermaanden worden ze van 6 tot 8 uur bezig gehouden. Eens in de 14 dagen treffen ze het, want dan wordt op zaterdag geen les gegeven in verband met het schoonmaken van de school. En de school is gesloten tijdens de gewone feestdagen en gedurende de kermisweek.
Van meester Voorn krijgen ze in hoofdzaak les in lezen, schrijven en rekenen.
Het schoolgeld begint met 1 stuiver per week. Voor een kind dat kan schrijven wordt het 1,5 stuiver. Heeft het inmiddels rekenen geleerd, dan wordt het 2,5 stuiver per week. Voor arme kinderen wordt een uitzondering gemaakt.
Naarmate de kinderen ouder worden of uit werken gaan, neemt de kerkelijke bijdrage af. In 1807 krijgt Lijsje alleen voor de kinderen Piet en Marijtje 8 stuivers per week.
Als Baan van school gaat kan hij lezen en schrijven. Voor de andere kinderen is het al werken geblazen na een aantal jaren school.
Lijsje lukt het de kinderen dagelijks een redelijke maaltijd voor te zetten. Het eten bestaat in hoofdzaak uit aardappelen met mosterd, soms is er zelfs geen vet. Daarnaast wordt veel roggebrood en grutterswaren gegeten. Vlees, boter of kaas komt zelden op tafel. Eieren van eigen kippen komen af en toe op tafel.
Hoe het op een school toegaat is opgetekend in "De Menschenvriend (1788).    
De school begint met een lamentabel geteem, het morgengebed. De leerlingen begrijpen er geen snars van en trekken elkaar onder het gebed aan het haar, fluisteren en lachen. Pas is het amen uitgesproken of een verschrikkelijk lawaai barst los. De scholieren beginnen met het spellen van woorden en ieder kind probeert boven ’t lawaai uit te komen.
Klaas de zoon van een schepen, roept; Meester: Zwarte Dirk heeft mij voor de neus gestompt, waarop de schoolmonarch met een woest gebaar de bullepees grijpt en met donderende stem door het lokaal schreeuwt: Loedert, kom hier. Dirk probeert zich nog te verontschuldigen, maar omdat het maar een arme jongen is, wordt niet naar hem geluisterd en krijgt hij een duchtig pak slag. Met een blauwe rug wordt de arme knaap naar zijn plaats gestuurd. Na dit incident komen verschillende leerlingen bij de katheder om uit hun boekje een paar woorden te spellen.
Ondertussen houdt de meester zich bezig met het versnijden van pennen en het maken van fraaie letters, versiert met allerlei figuurtjes. Na het spellen komt het lezen aan de beurt. De leerling die het luidste schreeuwt en het dichts bij de toon van de voorlezer in de kerk benadert krijgt de mooiste loftuitingen. Alles wordt op dezelfde dreuntoon voorgelezen. Niemand begrijpt er iets van.
De morgen schooltijd wordt onderbroken door een pauze, waarin de matres (de naam waarmee een schooljuf werd betiteld) met een grote trommel vol koekjes op het toneel verschijnt. Het ene kind neemt voor een ander voor twee duiten tot ieder is voorzien. Alles wordt met woekerwinst verkocht.
Daarna roept de matres, meester het is halfelfjen staan klaar. Dat hoeft ze geen tweede keer te zeggen en met bekwame spoed vertrekt de meester, de leiding van de klas aan zijn zoon overlatende. Maar in plaats dat hij orde houdt begint hij met de kinderen te spelen. Als de meester naar de school terugkeert en dat ziet grijpt hij naar de bullepees om zijn zoon te bestraffen. Maar de knaap kruipt onder de tafel. Vader volgt dan, boven op de banken, tot dat de jongen begint te schreeuwen, "Moeder Help", waarop de matres binnenkomt en een goed woordje voor haar zoon doet. Daarna wordt schrijfles gegeven. De meester stroopt de rechtermouw op, en wanneer de kinderen op hun beurt met hun schrift bij hem komen, worden de letters, die zij geschreven hebben, met een overvloed van krullen, vogeltjes, versieringen en mannetjes bedolven, zodat de letters en hun gebreken onder de tierlantijnen onzichtbaar worden. Het is ondertussen twaalf uur geworden en nu wordt de morgenschooltijd besloten met het zingen van twee verzen uit psalm 109 en "nu rijst er een geluid op, waarbij het geblaet van honderd schapen lieflijk is. Dan volgt het dankgebed".
Hoe de schoollokalen er uit zagen kunnen we op talrijke schilderijen zien die in de loop van de jaren zijn gemaakt. We zien overvolle ruimten. Veel kleine kinderen zitten op lage bankjes . Heeft men de schrijfkunst onder de knie, dan kan men aan tafeltjes zitten. In het midden zien we de schoolmeester die als een koning op zijn katheder troont, de plak en de roede onder handbereik. Toilet en dergelijke voorzieningen zijn er niet. Vaak is het kou lijden want veel stoken werd niet gedaan. Bij de ergste koude moesten kinderen maar turf meebrengen.

Gedurende twee eeuwen hebben de bewoners in dit gebied hun land omgezet in turf en op deze wijze tot as laten vergaan. Een enorme waterplas bleef over zonder economisch belang. Ergens langs de met rode kleur aangegeven weg woonde het gezin van Pieter de Kleer. Water voor en achter het huis en veel muggen waarschijnlijk. Het zal niet zo erg gezond zijn geweest in deze omgeving te wonen. 
Viswater genoeg in de buurt, de kinderen van Lijsje weten menig visje aan de haak te slaan. Een welkome aanvulling op hun maaltijd. Achter Corter Aar, ligt een nog grotere waterplas dan het watertje bij hun huis. Aan de andere zijde daarvan zien ze kerktorens van Nieuwkoop en Zevenhoven boven het wateroppervlak uitsteken. Hier en daar liggen eilandjes, maar na een flinke storm zijn het er weer een paar minder geworden. Een angstig idee om zo steeds meer land te zien verdwijnen, voor sommigen wordt het zelfs een nachtmerrie.
In het dorp verschijnen vreemde gezichten. Baan weet al snel de reden, ze gaan de plas droogmaken. Grote windmolens, soms drie achter elkaar, worden gebouwd op een aantal plaatsen langs de plas, ringvaarten worden aangelegd om het opgepompte water te kunnen afvoeren. Op 1 juli 1799 begint men met de droogmaling. Langzaam zakt het water en op hoge plaatsen komt in 1805 de bodem al droog te staan. Eindelijk, het is inmiddels 1806 geworden, ligt de eens zo gevreesde waterplas voorgoed droog. De bodem geeft meteen veel werk, sloten en watergangen moeten worden gegraven, met de uitgegraven grond wordt de bodem geëgaliseerd, en daarna geploegd. De op gang komende landbouwactiviteiten vragen veel arbeidskrachten.
De laatste dag van de 18e eeuw is voor hen net zo weinig feestelijk als de eerste dagen in het nieuwe jaar. Uit Leiden komt het bericht dat hun opa, Bart de Kler, is overleden.
Op 16 januari 1800 wordt hij begraven op het Papegaaijs Bolwerk in Leiden.
Maar ook in 1806 moet moeder Lijsje nog steeds een beroep doen op de diaconie. Naast een uitkering voor Piet, gedurende 52 weken krijgt ze voor hem 8 stuivers per week, ontvangt ze voor dochter Marijtje ook 8 stuivers per week tot half juni van dat jaar. Daarna moet Marijtje als dienstmeisje elders zelf haar inkomen verdienen. Ze is dan 11 jaar oud.
Om de winter door te komen krijgen ze 2 bedlakens, een hemd en een hoeveelheid turf. In 1810 krijgt ze alleen nog turf. De kinderen dragen nu de zorg voor hun moeder.
 
Uit het register van de voor de Nationale Militie ingeschrevenen van Ter Aar blijkt dat Piet heeft gediend als soldaat bij de Fransen. Geen gegevens zijn gevonden over waar hij heeft gediend en gedurende welke periode. In de registers van de Schutterij van Ter Aar duikt zijn naam vanaf 1815 veelvuldig op.
Van broer Bart zijn in het inschrijvingsregister voor de Nationale Militie uit 1805 wel meer gegevens gevonden. Gedurende de jaren van de Franse overheersing zijn de officiële documenten in het Frans gesteld.
Gelet op zijn lengte, 1,76 meter, behoort Baart duidelijk niet tot de kleinsten in die tijd. De kleur van zijn hoofdhaar en wenkbrauwen is blond. Hij heeft blauwe ogen, een gemiddeld voorhoofd en zijn gelaatskleur is fris. Dit laatste is niet zo ongewoon voor iemand die dagelijks in de buitenlucht verkeert.


In juli 1810 wordt per decreet bekend gemaakt dat Holland met het keizerrijk is verenigd.
De Burgerlijke Stand wordt ingevoerd en iedereen wordt verplicht een eigen achternaam te voeren. Voor sommigen reden om de meest vreemde achternaam te bedenken. Men weet dan nog niet, dat ook hun nageslacht voor altijd met deze naam wordt opgezadeld. Een huisnummering wordt ingevoerd en op school wordt de Franse les verplicht.
In 1813 brengen reizigers het bericht mee, dat Napoleon bij Leipzig een nederlaag heeft geleden. Al vrij snel na de terugkeer van Napoleon in Frankrijk beginnen de Franse troepen zich massaal terug te trekken uit Holland, eerst richting Woerden en vervolgens verder terug naar Frankrijk.
Willem Frederik, de zoon van Stadhouder Willem V zet op 30 november 1813 in Scheveningen voet op Nederlandse bodem.
In Ter Aar wordt de meiboom omgehakt en in brand gestoken.
In zijn vrije tijd en met zijn vrienden op pad zullen ze regelmatig in contact zijn gekomen met meisjes. Een daarvan, ze werkt als dienstbode bij een gegoede familie in Langeraar, is Jacoba Wendt. Zij is geboren op
22 oktober 1797 in Hazerswoude. Zij is zoals zoveel meisjes al op jonge leeftijd in betrekking gegaan om geld te verdienen voor thuis.
 
Broer Bart trouwt op 22 september 1816 in Oudshoorn met Angenietje Mulder. Getuigen bij de huwelijksplechtigheid zijn Baan en Piet.
Op 14 januari 1818 trouwt broer Baan in Ter Aar met Geertje Bouwman.
Nu zijn Bart en Piet getuigen bij de plechtigheid in het gemeentehuis.
  Dan krijgt ook Piet er zin in. Op zondag 25 oktober 1818 wordt door de officier van de burgerlijke stand van de gemeente Ter Aar Canton Woubrugge, om 11 uur in de morgen voor het gemeentehuis met luidde stem en verstaanbaar bekend gemaakt dat er trouwbelofte is tussen Pieter de Kleer en Jacoba Helena Wendt. Deze mededeling wordt daarna aan de deur van het gemeentehuis aangeplakt. De tweede afkondiging vindt plaats op zondag 1 november.
Er worden geen wettige bezwaren tegen het huwelijk ingediend en zij trouwen op woensdag 4 november 1818. De plechtigheid in het gemeentehuis duurt maar kort. De broers Baan en Bart treden nu als getuigen op.
Na voorlezing van de huwelijksakte moeten handtekeningen worden gezet Dan blijkt dat alleen Baan heeft geleerd te schrijven. Ook de anderen, met uitzondering van de moeder van de bruid, verklaren niet te kunnen schrijven.
         
Thuis wordt pas het echte feest gevierd. Jacoba zal zich niet zo erg in het feestgewoel hebben gestort.
Ze is op de huwelijksdag ruim 7 maanden zwanger en dan huppel je niet meer zo uitgelaten. Twee maanden later, op 30 januari 1819, wordt hun eerste kind geboren. Het krijgt de naam van zijn grootvader en van vader Pieter.
De kinderen van Pieter en Jacoba Helena zijn:
1 Pieter, geboren op 30 januari 1819 in Ter Aar. Hij trouwt op 30 mei 1847 te Ter Aar met Klazina Rijnsburger, dochter van Matthijs Rijnsburger en Grietje de Bruin.
Pieter overlijdt op 13 november 1901 in Ter Aar.
2 Lijsje, geboren op 11 maart 1820 in Ter Aar.
3 Cornelia, geboren op 22 januari 1822 in Ter Aar. Cornelia overlijdt op 09 augustus 1914 in Oudshoorn, 92 jaar oud.
4 Leentje, geboren op 11 april 1824 in Ter Aar.
5 Ary, geboren op 22 oktober 1825 in Ter Aar. Hij is overleden op 10 april 1828 in Ter Aar.
6 Baan, geboren op 16 maart 1828 in Ter Aar.
7 Ingetje, geboren op 15 juni 1830 in Oudshoorn.
8 Marijtje, geboren op 28 augustus 1833 in Ter Aar. Zij overlijdt op
24 november 1914 te Leimuiden
9 Op 9 september 1836 wordt een levenloos kind geboren.
10 Baan, gedoopt op 20 oktober 1838 in Ter Aar. Hij trouwt op 
 27 april 1866 te Oudshoorn met Lijsje Barreveld, dochter van 
 Hendrik  Barreveld en Jannetje Branse. Baan overlijdt te Dedemsvaart op 18 maart 1932. 
In 1817 mislukt de oogst in grote delen van Nederland. In de daarop volgende winter stijgt in vele gezinnen de nood tot ongekende hoogte.
Het beroep van vader Piet, arbeider, is weinig rooskleurig. Het bestaan in de land- en tuinbouw is onzeker. Zodra de winter invalt, komt het werk stil te liggen en houden de vaste inkomsten op. De gemiddelde inkomsten van een arbeider in deze tijd ligt rond de 200 gulden per jaar.
Van een vast dienstverband is over het algemeen geen sprake en is er elders werk te vinden dan verhuist het gezin mee.
Begin mei 1828 verhuist het gezin naar de Ridderbuurt in Oudshoorn, met 3 meisjes en 2 jongens. Een paar maanden eerder is zoon Baan geboren, maar nog geen maand later staan ze bij het graf van hun 3 jarige zoontje Arie.
De afstand tussen Ter Aar en Oudshoorn is niet zo bijzonder groot en is beslist geen wereldreis. Bij gebrek aan verharde wegen is paard en wagen het beste transportmiddel. De huisvesting is over het algemeen een groter probleem. In Ter Aar wonen zij met een dienstmeisje en de familie Langhout, die uit  5 personen bestaat, op hetzelfde adres. In het huis is een keuken aanwezig waarvan beide gezinnen gebruik maken.
In Oudshoorn wordt dochter Ingetje geboren.
Een paar jaar later verhuizen ze toch weer naar Ter Aar en daar wordt op 20 oktober 1838 s’avonds om 11.00 uur hun jongste telg geboren.
Met het besluit het kind de naam Baan te geven, wordt hun inmiddels overleden grootvader Baan Jansz vernoemd, maar ook hun eerder overleden zoon.
Twee dagen later wordt van de geboorte door vader Piet aangifte gedaan bij de officier van de burgerlijke stand der gemeente Ter Aar.”
Zoals voorgeschreven vindt de aangifte plaats in tegenwoordigheid van twee getuigen. De buurman, Gerrit Hassel en Cornelis Hoogeveen, de plaatselijke veldwachter. Nu zouden we zeggen, de wijkagent.


Bij het ondertekenen van de geboorteakte geeft Piet aan dat hij niet kan schrijven. Onder de geboorteakte komt zijn handtekening dus niet voor.

Tot grote schrik van de familie bevalt dochter Lijsje, zij werkte als dienstbode bij een gezin in Oudshoorn, op 29 december 1840 van een dochter. De vader is meestal de werkgever of een zoon des huizes.
Dienstboden waren in die tijd vogelvrij en totaal afhankelijk van de families waarvoor ze werkten. Misschien was Lijsje wel gevleid door alle aandacht die ze van die vader of zoon kreeg. En eenmaal zwanger concludeerde een werkgever dan: “ach, ze is een sloerie. Het kind kan net zo goed van de bakkersknecht zijn.”
Eenmaal in verwachting in die tijd, dan had je als vrouw niet het recht om de vader aan te klagen en te wijzen op zijn verantwoordelijkheid. Mannen kregen daardoor de vrije hand.
Vader Piet, volgens de geboorteakte, de vader van de verloste, geeft bij de burgerlijke stand zijn kleindochter aan met de naam Jacoba de Kleer.


Hoe het omstreeks 1830 in gezinnen toe zou gaan is in die tijd verwoord door de Franse psychiater Jean Pierre Falret.
“De jeugd van tegenwoordig is ordeloos, onopgevoed tuig. Ze vertikken het eenvoudig om naar de raad van hun ouders of opvoeders te luisteren. Doen op allerlei terreinen, vooral in sexueel opzicht, maar raak en hebben geen enkel ontzag meer voor autoriteit of andermans eigendom. Maar eigenlijk kun je het ze niet kwalijk nemen want het gezinsleven is niet meer wat het vroeger was. Veel gebroken gezinnen, echtgenoten die er geen been inzien om andere relaties te beginnen, moeders die hun heil steeds meer in buitenhuisactiviteiten gaan zoeken, en misbruik van kinderen, ook in sexueel opzicht.“



Nu zal het in Oudshoorn of Ter Aar niet een zodanige vaart hebben gelopen, maar uit verschillende bronnen is bekend, dat het vooral de dienstmeisjes waren die nogal eens zwanger werden van de heer des huizes en daarna zonder omwegen op straat werden gezet of aan een ongetrouwde knecht werden toegewezen.
De huizen waarin het gezin wonen zijn over het algemeen eenvoudig van bouw en inrichting. Alleen de beter gesitueerden wonen in riantere woningen.
Achter de voordeur kom je in een klein portaal van ca. een bij anderhalve meter. Van daar uit sta je meteen in de woonkamer, die ook als keuken dienst doet.
Een uittrektafel met daar omheen houten stoelen met rieten zitting. Naast de woonkamer een kleine ruimte met twee bedsteden.
In het portaal de trap naar de zolderruimte. Daaronder de trap naar de kelderruimte. Men slaapt op strozakken en de kussens worden met kaf op dikte gehouden.
Water wordt geput uit een gemetselde regenbak in de hoek van het portaal. Het toilet is een losstaand schuurtje achter het huis en vaak boven de sloot. In een sigarenkistje ligt het closetpapier, in stukken gescheurde oude kranten. Vaak komt het voor dat meerdere gezinnen in één huis wonen.
In het aantekenboek van de Hervormde Gemeente van Ter Aar lezen we dat in 1842 het gezin met attest is vertrokken. Wederom naar Oudshoorn.
In 1843 wordt Nederland opnieuw geteisterd door een economische crisis. De strenge winter van 1844/45 en het mislukken van de aardappeloogst in twee daarop volgende jaren hebben een tragische uitwerking voor een groot aantal mensen, vooral in de grote steden.
In Oudshoorn heeft men er minder last van, maar het bestaan wordt er niet vrolijker van.
Baan gaat naar school, maar van een geregelde schoolgang is niet altijd sprake.
Zodra thuis iets te doen valt of bij de boer waar vader werkt, wordt hij ingeschakeld. Toch is er tijd voor school en hij leert daar lezen, schrijven en rekenen. Velen van zijn leeftijdgenoten blijken daar niet aan toe te komen of er grote moeite mee te hebben.
Maar, zodra hij dertien jaar oud is breekt voor hem de harde werkelijkheid van het leven aan. Hij had graag door willen leren, maar met een groot gezin is dit uitgesloten. Er moet geld op tafel komen.
Een werkdag zal er als volgt hebben uitgezien. Even voor drie-en wordt hij door zijn vader gewekt. En binnen een paar minuten staan ze buiten. Een pyjama heeft men niet, s’nachts houden ze gewoon de blauwe boezeroen aan. Na een plas in de sloot achter het huis gaan ze op weg om de koeien bij elkaar te drijven. Na het melken, het is dan ongeveer half vijf, naar huis om te eten. Roggebrood met spek, twee boterhammen en een kom thee. Om vijf uur weer op het land om te poten, te planten, te wieden, te hooien of te oogsten.
Om acht uur gaan ze voor twee uren schaft naar huis, dit keer voor een warme maaltijd van aardappelen met eventueel wat groente en een bord soepenbrij toe.
Van tien tot een uur naar het land, dan naar huis. Weer roggebrood met spek en twee boterhammen.
Van twee tot drie uur koeien melken en van drie tot zes uur op het land voor allerhande werkzaamheden.
Na zes uur de avondboterham. In de zomermaanden zijn ze wel tot acht á negen uur in de avond in de weer.
Kinderarbeid wordt als heel normaal aanvaard.
Op 14 april 1854, s’avonds om negen uur sterft moeder Jacoba, 59 jaar oud. Op de begraafplaats naast de Hervormde kerk in Oudshoorn wordt ze begraven.
Vader Piet kan alleen niet aarden en gaat na verloop van tijd terug naar zijn oude buurtgenoten in Ter Aar. Daar overlijdt hij op 28 september 1860,
68 jaren oud.
Baan blijft wonen in Oudshoorn. De reden daarvoor is dat hij bevriend is geraakt met Lijsje, een dochter van Hendrik Barreveld, van beroep winkelier, en van Jannetje Brandse.
Na de gebruikelijke afkondigingen van hun voorgenomen huwelijk trouwen zij op 27 april 1866 te Oudshoorn.
In de trouwakte lezen we het beroep van Baan, bouwmansknecht. Hij is ondertussen gepokt en gemazeld in het vak.

Trouwakte Baan de Kleer met Lijsje Barreveld d.d. 27 april 1866
De kerkelijke inzegening vindt plaats in de Hervormde kerk van Oudshoorn. Het is vrijdag, de meeste kennissen zijn nog aan het werk.
Zo nu en dan komt de zon even achter de wolken vandaan. Terwijl ze uit de kerk komen vaart in de Rijn een schuit voorbij, de zeilen klapperen in de wind. Van over het water wordt hen iets toegeroepen. Ze zwaaien terug.



De kerk van Oudshoorn omstreeks 1800
 
 
  
De kerk in 2005
Veel tijd om feest te vieren is er niet. Een verhuizing naar Aarlanderveen staat op het programma.
 

 
 

Een impressie van de Nederlandse Stad en Dorpsbeschrijver over Aarlanderveen. Gemaakt omstreeks 1795 door Anna C. Brouwer. De Aarlanderveense toren werd in 1762 gerestaureerd, maar kreeg als gevolg daarvan een armoedig uiterlijk.  
 
Aan het begin van de 19e eeuw bezoekt de Nederlandsche Stad en Dorpbeschrijver Aarlanderveen en beschrijft het dorpscentrum.
“ De voornaamste Buurt alwaar de Kerk gevonden wordt en die als het ware het Dorp uitmaakt legd Landwaarts in, strekkende langs de Aarlanderveensche weg, zo verre dezelve bestraat is met een dubbele rije Huizen, aan iedere zijde der weg betimmert;
- deeze Dorpbuurt behoeft in Netheid en Zindelijkheid voor geen Huizinge in alle Rhijnlandsche Dorpen te wijken; aan de meesten derzelven zijn schoone Hoven, en welaangelegde Thuinen annex, en voor veele derzelven staan Linden- en Ypenboomen geplant;
- werdende het Dorp ook door verscheidene Renteniers en andere welgestelde Burgers bewoont, die alhier een aangenaam en stil Leeven kunnen genieten” .
 
 

De gemeente Aarlanderveen omstreeks 1866. De boerderij stond bij de punt van de pijl. Achter het huis had men over de lagergelegen polder een vrij uitzicht naar Nieuwkoop. Van links naar midden onder, de Oude Rijn. Alleen in Alphen a/d Rijn was een brugverbinding over de Oude Rijn.


 
 
 
De drooglegging aan de oostzijde van Aarlanderveen (midden rechts op de kaart). Wanneer in 1786 de droogmaking van de veenplas aan de westzijde van Aarlanderveen begint zijn daarvoor drie schepradmolens in bedrijf. Daarmee wordt een laag van 3.80 meter water uit de plas weggemalen. Toch staat nog een derde gedeelte van de droogmakerij onder water. Het veen is daar tot grotere diepte weggebaggerd.
Om ook dit water weg te krijgen wordt molen vier, een vijzelmolen, gebouwd. De eerste drie molens van de latere molenviergang (uit: Omzien naar Aarlanderveen). 

De molen op de foto onder is een onderdeel van deze molenviergang (uit: Omzien naar Aaarlanderveen) .      
In hoofdzaak worden de drooggemaakte polders gebruikt voor de landbouw, het is vooral de verbouw van granen die veel mensen een redelijk goed bestaan geeft. Langs de vele vaarten en sloten staan populieren en berken in grote aantallen. Uitstekend materiaal voor het maken van een goede klomp. De klompenmakers in Aarlanderveen leveren een goed product. De makers kunnen het werk nauwelijks aan, zoveel vraag is er naar hun klompen.

Van broer Piet die tuinder is in Ter Aar, hoort Baan dat in Aarlanderveen een woonhuis te koop staat. Op een namiddag loopt hij van Oudshoorn via de weg op de lage Rijndijk, de brug bij Aarlanderveen sluis en het voetpad langs de Kerkvaart, naar Aarlanderveen. Een afstand van goed twee uur gaans. Nadat hij de woning heeft bekeken is hij snel zeker van de zaak. Met zijn spaargeld en een geldlening van notaris J.A. van der Lee te Aarlanderveen als hypotheek is de koop een feit. Op 4 mei 1866 wordt de koopakte met Jan Rustwat getekend. Voor een bedrag van
ƒ 1.000, = is hij eigenaar geworden van een aantal percelen grond, water en een huis aan de Aarlanderveensche weg (later Dorpsstraat 29). Het is een vrijstaand woonhuis met redelijk veel ruimte, zowel binnen als buiten. Tussen de wegkant en de voorgevel staat een rij lindebomen. De tuin aan de achterzijde biedt zicht op de kerktorens van Nieuwveen, Zevenhoven, Nieuwkoop en Noorden.


Een deel van de kadastrale kaart van Aarlanderveen.
Schaal 1 : 2500, dit wil zeggen, 1 mm gemeten op de kaart in werkelijkheid 2,50 m. 


Een deel van deze kadastrale kaart, het eigendom van Baan de Kleer,
is vergroot uitgetekend. Zie  onder.
 
 

De oppervlakte van de percelen zijn:
perceelnr. soort       oppervlakte in m²
405          huis, erf          154
406          tuin                182
407          tuin                350    
408          water              176
409          tuin                264
totaal                          1.126 

Aan de hand van de kadastrale kaart en de daarbij horende legger is na te gaan of in de loop van de jaren wijzigingen in de bebouwing of erfgrenzen hebben plaatsgevonden.
Zo wordt omstreeks 1878 de woning aanzienlijk vergroot.
Dit is wel nodig ook, want het gezin bestaat inmiddels uit 8 personen.
Direct achter de uitbreiding komt een hooiberg.
De nieuwbouw is ook voor een belangrijk deel ingericht zijn als stalling voor vee. 
In 1905 wordt 7 m² grond gekocht van de buurman. In 1911 wordt de eigendomssituatie gewijzigd. De kinderen worden voor 50% mede-eigenaar van het bedrijf. In 1903 wordt een veestalling gebouwd van 8 bij 10 meter.
Uit de bouwtekening kan worden opgemaakt dat de stal op korte afstand van de hooiberg is neergezet. Volgens de kadastrale kaart is een deel van de ondergrond eigendom van de buurman.
Tientallen jaren later, bij de doorverkoop van het perceel aan de gebr. Van ’t Riet in 1942, blijkt dat Baan een stuk grond in gebruik had zonder daarvan eigenaar te zijn.
Wel wordt met de buurman een afspraak gemaakt over het bouwen van deze stal (zie later).

De bouwplannen zijn daarna niet voorbij. In 1912 wordt wederom bij burgemeester en wethouders van Aarlanderveen een bouwvergunning aangevraagd. Nu voor het bouwen van een wagenschuur met houtberging. De afmetingen van deze schuur zijn 4 bij 9 meter. Daarna is het erf bijna volgebouwd. Verdere uitbreiding is niet meer mogelijk.

 
In 1916 wordt aangekocht een stuk kade met een oppervlakte van 25 m². Het stukje grond krijgt nummer 2319.
De reden van deze aankoop is een directe verbinding met de gepachte percelen hooi- en weiland in de polder aan de andere zijde van de ringsloot.


 
 
 
De Rijnbode van 19-02-1882
 
 
 

Het woonhuis annex boerderij aan de Aarlanderveensche weg.
Gebouwd omstreeks 1800, gesloopt eind 1978.
Door de familie De Kleer bewoond van 4 mei 1866 tot 25 juni 1920. De foto is gemaakt omstreeks 1919. Op de foto staan van links naar rechts: Gerritje Catharina, in het midden een vriendin, Barendina. Links achter het venster Baan en naast de hooiberg Jacobus.  De foto geeft een beeld van de ontwikkeling van het bedrijf. Het voorste deel is gekocht in 1866. Omstreeks 1878 wordt de woning uitgebreid, waarbij de diepte, in de lengterichting van het gebouw, aanzienlijk toeneemt. Gelijktijdig met deze uitbreiding is de hooiberg gebouwd. De veestal achter de hooiberg wordt omstreeks 1903 opgericht. Rechts daarvan de wagenschuur met houtberging, anno 1912 (foto familiearchief). 

Bij zijn huwelijk in Oudshoorn is het beroep van Baan beroep bouwmansknecht. Hij heeft zich echter voorgenomen om, net als zijn broer Piet, een eigen bedrijf te beginnen. Naast zijn werk als knecht gebruikt hij zijn woning en erf voor het stallen van kleinvee, en zoekt naar mogelijkheden om de zaken verder uit te breiden.
De ontwikkeling van woonhuis naar boerderij is voor een deel te reconstrueren uit het bij de geboorteaangifte van de kinderen opgegeven beroep.    


11 maanden na het huwelijk van Baan en Lijsje wordt hun eerste kind geboren, een zoon. Hij wordt vernoemd naar grootvader Pieter.

Het gezin wordt regelmatig verblijd met de geboorte van een zoon. Achtereenvolgens worden geboren:
1 Pieter, geboren op 10 maart 1867. Hij wordt in de Hervormde kerk van Aarlanderveen gedoopt op 31 maart 1867.
2 Hendrik, geboren op 20 november 1868. Drie weken later, op 13 december 1868, wordt hij gedoopt in de Hervormde kerk van Aarlanderveen.
       


Geboorteakte Hendrik 1

Bij de geboorteaangifte van zoon Henk is het beroep van Baan winkelier.
Op een latere foto van de woning is vaag de ‘etalage’ van de kruidenierswinkel zichtbaar. In de winkel worden verkocht de producten van eigen fabricaat als melk, boter, kaas en eieren. Maar ook voor een huishouding noodzakelijke levensmiddelen als losse stroop, snoep, koekjes, erwten, losse suiker, enz.
De serviceverlening is groot. In de winkel worden de klanten geholpen door moeder Lijsje. De oudste kinderen worden ingezet om bestelde producten thuis te bezorgen. Het is al snel een drukbeklante zaak en bekend in heel Aarlanderveen.
In 1878 is het beroep van Baan, melkboer. De melkproducten worden nu huis-aan-huis uitgevent.
3 Simon, geboren op 17 augustus 1870. In 1895 is zijn beroep wagenmaker. Hij woont op steenworp afstand van zijn ouderlijk huis.
Simon overlijdt 27 november 1895 in Aarlanderveen, 25 jaar oud. 
4 Jacobus, geboren op 21 april 1872. Hij is gedoopt op 5 mei 1872. Gedurende vele jaren is zijn beroep veehouder.
Jacobus overlijdt op 1 april 1957 in Dedemsvaart, 84 jaar oud. Hij is begraven te Dedemsvaart.
5 Gerrit, geboren op 6 maart 1874. Hij is gedoopt op 29 maart 1874. 
De herdenking van de 25 jarige regering van Z.M. den Koning, koning Willem III wordt op woensdag 20 mei 1874  in Aarlanderveen feestelijk herdacht onder begunstiging  van schoon weder, zoals dit door De Rijnbode op zondag 24 mei 1874  treffend werd opgemerkt. 
Onder leiding van de feestcommissie waren de bewoners weken tevoren bezig het dorp te versieren. Voor de woning van Baan werd samen met de buurman Van ’t Riet en andere buren een erepoort opgericht. Samen met de kinderen uit de buurt versieren Piet en Henk de hekken langs de weg. Dagen is men bezig met het optuigen en versieren van de boerenwagens met oranjelinten, bloemen, gras en groen van bomen en struiken.
De feestdag wordt om 8.00 uur met klokkengelui geopend. De toespraak van de burgemeester, de feestcommissie laat verschillende malen een luid ‘Oranje boven’ horen, wordt beantwoord met het zingen van het volkslied. Voor de schoolkinderen, waar onder Piet en Henk, begint het feest in het schoolgebouw. Na een toespraak van het schoolhoofd en onderwijzers, en het zingen van een aantal vaderlandse liedjes, gaan ze in plechtige optocht en zwaaiend met vlaggen naar de startplaats van de optocht. De optocht wordt voorafgegaan door een rijtuig van de feestcommissie, gevolg door een stoet aan wagens met paarden, fraai uitgedoste personen en kinderen in hun feestkleding.
Na de optocht kan men op verschillende plaatsen in het dorp meedoen aan spelletjes. Tijd om thuis te gaan eten hebben de kinderen niet. Het komt danook niet iedere dag voor dat er een dergelijk feest wordt georganiseerd.
Bij het invallen van de schemer worden de erepoorten voorzien van verlichting. Voor de kinderen een onvergetelijke belevenis.
De feestdag wordt afgesloten met een vuurwerk. Maar, dan liggen de kinderen al op bed, dromend van alles wat ze vandaag hebben meegemaakt. Het vuurwerkfeest wordt opgeluisterd door muziek van het plaatselijke gezelschap “Apollo’s lust”. De avond wordt in een genoeglijke stemming besloten. Met de buurman wandelt Baan naar huis. Morgen wacht het slopen van de ereboog en de dagelijkse werkzaamheden.
  
   
6 Leendert, geboren op 2 juni 1878. Hij is gedoopt op 16 juni 1878.
Leendert overlijdt op 10 december 1954 in Boskoop, 76 jaar oud. Hij wordt op 15 december 1954 begraven op de Algemene Begraafplaats te Boskoop.
7 Jannetje, hun eerste dochter wordt geboren op 17 november 1879. Zij is gedoopt op 25 januari 1880. De vreugde is echter van korte duur, want Jannetje overlijdt op 25 februari 1880, 3 maanden oud.
De baker is één van de trouwste bezoekers van de familie.
En dat zij het echt druk had blijkt uit het volgende artikel in het Leidsch Dagblad van   17 mei 1887.
“ Uit Aarlanderveen wordt ons gemeld, dat de Wed. N.  Ouwerhand, geb. Verbeek, 251 kinderen heeft gebakerd.
Zij is heden 76 jaar oud en nog vol ijver als baker werkzaam” .
                                   

De Rijnbode van 17-04-1887      

Voor de kinderen van Baan en Lijsje is het gaan naar school een wandeling die verder gaat dan de Ned. Hervormde kerk waar ze zondags naar toe gaan. Tot 1876 is de school gevestigd in het Hoge Huis of ‘Diakoniehuis’. Daarna in het gebouw er direct naast. 
 
 
          
Het "Hoge huis" of "Diakoniehuis" (125 jaar Christelijk onderwijs).
 
 
  
Het schoolgebouw waarin van 1876 tot 1916 onderwijs werd gegeven (uit: 125 jaar Christelijk onderwijs).
 
Zij kregen onderwijs van de hoofdonderwijzers Van de Valk en Hendrik Houtman. De laatste stond bij een aantal ouders niet zo best aangeschreven.
Een oud leerling, Pietje van ’t Riet-Wingelaar, schreef over hem het volgende:
“Het onderwijs was zo slecht dat er van leren niet veel kwam. s’Morgens vertelde de meester bijbelse geschiedenis (vertellen kon hij wel), dan schreef hij een zin op ’t bord en wij moesten die dan vier of vijfmaal overschrijven. Dit was al het taalonderwijs wat wij kregen. Er lagen rekenboekjes in de kast en wij moesten er zelf maar één halen, en de meester ging in de bank zitten en was al gauw in’t land der dromen. De meester was al oud en zijn vrouw was weggelopen. Hij woonde in een oud huis met een lange tuin, waarin allemaal kippenhokken stonden met allerlei soorten kippen”.

Gedurende de periode dat de kinderen van Baan en Lijsje naar school gaan is er een aanzienlijk verschil in financiering van het onderwijs. Het Openbaar Onderwijs wordt volledig door de overheid betaald. De Christelijke school kreeg geen cent van dezelfde overheid. De ouders van schoolgaande kinderen moeten soms heel diep in hun beurs tasten om hun kinderen christelijk onderwijs te laten geven.
In 1894, de kinderen van Baan zijn dan niet meer op school, is het schoolgeld per week als volgt:
- laagste klasse 10 cent;
- laagste afdeling der middelste klasse 12½ cent;
- laagste van de hoogste afdeling der middelste klasse 15 cent;
- hoogste van de hoogste afdeling der middelste klasse 20 cent;
- hoogste klasse 25 cent.
De kinderen van Baan zijn in 1894 reeds van school.  

In juli 1896 wordt Aarlanderveen opgeschrikt door een stakingsgolf. Onder de naam sigarenmakersoproer gaat deze staking de kranten in. In 1860 deed een nieuwe vorm van huisindustrie in Aarlanderveen zijn intrede. Diverse sigarenmakers begonnen hier hun productie. Door de aanhoudende crisis aan het einde van de negentiende eeuw, was er grote werkloosheid onder de landarbeiders. Veel van deze mensen waren dus maar wat blij dat zij hun brood in de sigarenindustrie konden verdienen, ondanks de arbeidsomstandigheden die verre van ideaal waren.
De werkdagen waren lang, twaalf tot dertien uur werd er gewerkt en dan ook nog zeven dagen in de week tegen een lage beloning. Een volwassen man verdiende ongeveer 6 gulden en een kind 1,50 gulden per week. Het kon dan ook niet uitblijven dat er conflicten zouden ontstaan, mede door de sociale bewustwording van de arbeiders die zich hadden verenigd in vakbonden.  Eind juli brak er een staking uit. Vanwege de voortdurende onrust besloot de loco-burgemeester op 6 augustus een samenscholingsverbod in te stellen. Maar, als gevolg van de aanwezigheid van veel nieuwsgierigen en het optreden van de politie liepen de spanningen hoog op. Zeven rijksveldwachters kwamen de politie versterken om het verbod te handhaven. Bij een charge van de veldwachters werd een 17-jarige jongen door een bajonet in zijn rug geraakt. Dit optreden deed de beoogde rust geen goed. De spanningen liepen dermate hoog op dat op 7 augustus een detachement van 25 huzaren uit Leiden moest komen. Tevens kwamen nog drie rijksveldwachters het aantal orde handhavers versterken, zodat er in totaal veertig man politie en militairen aanwezig waren. Zaterdag 8 augustus bleef het de hele dag onrustig. Mensen werden achtervolgd en er vonden enkele arrestaties plaats. De kroegen bleven het gehele weekend gesloten. Maandag 10 augustus vertrokken de huzaren weer naar Leiden. Pas op 23 september verscheen in de "Rijnbode" het bericht dat de staking voorbij was. De staking had voor de betrokkenen niets opgeleverd en de politiebewaking had de gemeenschap veel geld gekost.

Zoon Piet is de eerste die het huis verlaat. Hij trouwt met Teuntje Broekhuizen, dochter van Jacobus Broekhuizen en Cornelia Sepers. Het kerkelijk huwelijk vindt plaats op 27 april 1894 in Aarlanderveen. Na zijn huwelijk blijft hij wonen in Aarlanderveen. Hij heeft hetzelfde zakelijk karakter als zijn vader. Zijn beroep is afwisselend landbouwer en melkboer. Daar hij en zijn vader hetzelfde beroep uitoefenen kunnen ze elkaar regelmatig van dienst zijn.   


De kinderen van Pieter en Teuntje zijn:
1 Baandert Jacobus, geboren op 8 november 1895 in Aarlanderveen.
2 Cornelia, geboren op 11 maart 1896 in Aarlanderveen. Cornelia is overleden op 8 juni 1896 in Aarlanderveen, 2 maanden oud. 
  
De Rijnbode van 17-01-1897

  
 
3 Simon, geboren op 18 april 1897 in Aarlanderveen. Simon is overleden op 27 februari 1898 in Aarlanderveen, 10 maanden oud. 
4 Jacobus, geboren op 17 maart 1899 in Aarlanderveen. Hij trouwt op
1 maart 1928 met Aaltje Reurink,
geboren in Ommen op 6 mei 1898 en dochter van Gerrit Reurink en
Margje van der Hoek. 
5 Cornelia, geboren op 23 oktober 1900 in Aarlanderveen.
6 Lijsje, geboren op 11 juni 1902 in Aarlanderveen.
7 Aagje, geboren op 27 januari 1904 in Aarlanderveen.
8 Jannetje, geboren op 6 april 1906 in Aarlanderveen.
9 Cornelis, geboren op 7 mei 1908 in Aarlanderveen. Hij trouwt op
15 mei 1931 met Klaasje Reurink,
geboren in Ommen op 2 september 1906, dochter van Gerrit Reurink en Margje van der Hoek.
 
 
 De Rijnbode van 10-03-1897 



 
De Aarlanderveenseweg rond 1902.
In het midden links de boerderij van de familie De Kleer. Rechts het koetshuis van notaris Van der Lee. Vanaf het huis van Van der Lee tot aan de gereformeerde kerk was de weg helemaal voorzien van klinkers. Daarna begon weer het paardenstraatje (uit: Terug in de tijd).

Aarlanderveenseweg omstreeks 1912 ter hoogte van de woning van de familie Baan de Kleer. Links van de weg, achter de hoge bomen, gaat de voorgevel schuil. (uit: Terug in de tijd).


 
Nu het zicht op het Noordeinde van Aarlanderveen met op de achtergrond de molen van Barreveld (uit: Terug in de tijd).
 
Economisch gaat het met het bedrijf van Baan steeds beter. Voortdurend is er een tekort aan ruimte. Reden om in 1903 op het erf een schuur te
bouwen.
Om de ruimte op het erf zo optimaal te gebruiken maakt Baan met de buurman Van ’t Riet een afspraak. Voor alle zekerheid wordt de afspraak op papier vastgelegd.
”B. de Kleer, landbouwer, en C. van ’t Riet, wagenmaker, beiden wonende te Aarlanderveen hebben den 10 augustus 1903 een overeenkomst aangegaan van den volgende inhoud:
B. de Kleer zal bouwen een houten schuur ingericht voor het stallen van vee en C. van ’t Riet zal bouwen een schuur ingericht voor berg en werkplaats onder de voorwaarden met het oog op de moeilijk te bepalen scheidingslijn van beider eigendom wordt door beiden goedgevonden dat met het bouwen B. de Kleer de binten van zijn gebouw mocht verbinden aan de te bouwen schuur van C. van ’t Riet en dit alzoo dat er maar één gevel gevel of houten beschot noodig was, welke voor gezamenlijke rekening goed moet worden onderhouden.
Dit contract kan niet verbroken worden dan met beider goedvinden.
Mocht het toch voordoen evenwel dat deze gebouwen door brand of andersinds werden vernield, dan is dit contract niet meer van kracht en moeten beiden partijen de landmeter doen uitwijzen voor gezamenlijke rekening hoever elks grond of eigendom strekt en zich daaraan onderwerpen.
Genoemd contract van 19 augustus is goedgekeurd onder dezelfde voorwaarden door de daarop volgende eigenaren Gebroeders H. de Kleer en Jac. De Kleer tegenover B. van ’t Riet die dit hierbij onderteekenen”.  
Het tekort aan ruimte blijft. Zelfs een sloot moet er aan geloven. Met een andere buurman wordt een afspraak gemaakt over het dempen van de sloot tussen beider erf. Ook deze afspraak wordt op papier vastgelegd en geeft een indruk van het gebrek aan uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf.
“Overeenkomst tusschen Gebr. Schüller en B. de Kleer over het dempen der sloot tusschen beider erf. De eerste ondergeteekende verklaren dat zij afstand doen van hun recht op de halve sloot zoo ver hij nu gedempt is tusschen hun erf en dat van B. de Kleer op voorwaarde dat B. de Kleer zorgt voor het dempen der sloot.
Het leggen en schoonhouden van een duiker die ook voor altijd ten dienste is van Gebr. Schüller. Voor deze duiker zullen Gebr. Schüller aan B. de Kleer geven voor eens ƒ 15,--.
Gebr. Schüller zullen een hek van vlechtwerk zetten naar hun genoegen en dit zelf onderhouden. Zij zullen dit hek zetten van hun oud ijzer bewaarplaats tot aan het zandhok van B. de Kleer. Het overige gedeelte zal B. de Kleer moeten afzetten, een gedeelte met een hek van staande schroten het andere met een schutting op een hoogte van 1,50 meter en onderhouden. B. de Kleer of zijn rechthebbende zal het regt hebben later een schuur op de gedempte sloot te zetten op de plaats van de thans bestaande. Waar de schutting dan ook dienst zal doen voor een zijgevel der schuur.
Verder is B. de Kleer of zijn rechthebbende nooit bevoegd tot het poten van boomen op de gedempte sloot en mag de boomen aan de zuidzijde der sloot niet belemmeren, afhakken of beschadigen.
Deze overeenkomst is gesloten op den 23e October 1911 is altijd durend er mag niets aan worden veranderd dan met beider goedvinden.
Aarlanderveen 23 October 1911“.
 
Uit deze overeenkomsten blijkt een voortdurend gebrek aan ruimte op het erf om de toename van de bedrijvigheid te kunnen opvangen. Mogelijkheden om elders in Aarlanderveen het bedrijf te vestigen worden onderzocht, maar lopen op niets uit.
In de Drooggemaakte Polder W.Z. van Aarlanderveen pachten ze een perceel wei- of hooiland met een oppervlakte van 1,25 ha en een perceel hooiland met een oppervlakte van ongeveer 2 ha. Andere percelen zijn niet voorhanden.
 
Zoon Gerrit trouwt 11 mei 1898 in Den Haag met Grietje van Ingen. Zij is de dochter van Johannes van Ingen en Bartje Bos.
Getuigen bij zijn huwelijk zijn de broers Piet, Henk en Jacobus. Gerrit overlijdt op 17 augustus 1947 in Den Haag, 73 jaar oud.
De kinderen van Gerrit en Grietje zijn:
1 Lijsje, geboren op 10 november 1898 in Den Haag. 
2 Johannes, geboren op 15 februari 1900 in Den Haag.
3 Barendina, geboren op 1 december 1901 in Den Haag. 
4 Bartje, geboren op 15 juli 1903 in Den Haag. 
5 Gerrit, geboren op 1 februari 1905 in Den Haag. Gerrit overlijdt op 27 juni1981 in Georgetown (Ontario, Canada). Gerrit trouwt op 22 mei 1930 in Dedemsvaart met Aaltje Tibben. Zij is de  dochter van Harm Tibben en Annigje Brink. 
6 Simon, geboren op 10 juni 1907 in Den Haag. 
7 Pieter Hendrik, geboren op 3 december 1909 in Den Haag. 
8 MargaretaTruida, geboren op 18 october 1911 in Den Haag. 
9 Elisabeth Johanna, geboren op 15 juli 1913 in Den Haag.
10 Elisabeth Jacoba, geboren op 30 augustus 1916 in Den Haag. 
11 Jacoba Helena, geboren op 24 februari 1918 in Den Haag.

Zoon Leendert vertrekt naar Boskoop en vestigt zich daar als onderwijzer
De zoons Henk en Jacobus blijven het ouderlijk huis trouw. Het lijkt alsof er niets gaat boven het vrijgezellenbestaan.


In 1893 is het beroep van Henk, hij is dan 25 jaar oud, timmermansknecht. Vader Baan zal beslist een ander beroep voor hem in gedachten hebben gehad. Gelukkig, een aantal jaren later is Henk veehouder van beroep. En dat ligt meer in het familiepatroon. Enige sturing van vader Baan zal beslist aan de orde zijn geweest. Een geschiedenis die zich ruim 40 jaar later zal herhalen.
Af en toe bezoekt hij met Jacobus de markten in de omliggende plaatsen om daar producten van eigen bedrijf, als kaas en eieren, te verkopen of op de veemarkt zaken te doen.
In Bodegraven wordt, als het gaat om melkproducten, een vaste klantde dochter van Hendrik Mulder, van beroep timmerman. Daar er in Aarlanderveen niet veel te beleven valt zoekt Henk steeds vaker zijn vertier bij Maria in Bodegraven. De vader van Maria vindt Henk een uitstekende partij voor zijn dochter, veel bezwaren heeft hij niet. En voor Henk wordt het nog gemakkelijker vanaf de dag dat Maria in in Zwammerdam gaat wonen.  
Op dinsdag 25 mei 1906, de dag na Hemelvaartsdag, trouwen zij in Bodegraven.
Na de huwelijksvoltrekking in het gemeentehuis, waarbij als getuigen optreden de broers Gerrit, Jacobus en Piet, volgt de kerkelijke inzegening.

 
De tekst in de trouwbijbel:
Gen 12:2 (Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uwen naam groot maken; en wees een zegen). Hij wordt hier Pieter de Kler genoemd (familiearchief).



De dag wordt besloten met een bruiloftsfeest waarvoor familieleden en bekenden uit Aarlanderveen en Bodegraven zijn uitgenodigd.
Van dit feest zijn geen (kleuren)foto’s bekend, ook niet gemaakt. Toch kan aan de hand van de beschrijvingen van de uiterlijke kentekens een ‘foto’ van betrokkenen worden gemaakt.
Deze beschrijving zijn afkomstig uit de bijlagen horende bij de huwelijksakte. Uit de huwelijksakte blijkt dat Henk aan de verplichtingen betreffende de Nationale Militie heeft voldaan. In het inschrijvingsregister voor de Rustende Schutterij te Aarlanderveen van 1883 vinden we zijn naam terug onder volgnummer 12. Tot het daadwerkelijk dienen is het niet gekomen. Wel heeft hij als actief schutter gediend bij de schutterij tot 1897 en vervolgens als reserve schutter van 1898 tot 1903.
Piet en Jacobus hebben ook bij de schutterij gediend.
Ook hun persoonsgegevens zijn opgenomen in het volgende overzicht.
 
Piet
Henk
Jacobus
Inschrijving
31 mei 1892
1893
1 juni 1897
beroep
melkboer
timmermansknecht
melkboer
lengte
1.839 m
1.779 m
1.819 m
aangezicht
ovaal
ovaal
ovaal
voorhoofd
plat
hoog
hoog
ogen
bruin
bruin
bruin
neus
gewoon
spits
dik
mond
gewoon
gewoon
klein
kin
rond
spits
spits
haar
rood
blond
rood
wenkbrauwen
rood
blond
rood
merkbare tekenen
geen
geen
geen
 
 
 
 
Als enige uit het gezin heeft Jacobus als soldaat gediend bij het regiment Grenadiers en Jagers.
De dag na hun trouwen verhuisd Maria naar Aarlanderveen. Dit betekent dat nu in de boerderij wonen Baan met zijn vrouw, zoon Henk met Maria en zoon Jacobus. 
Kinderen van Henk en Maria zijn:
1 Elisabeth. Op 28 december 1907, ruim 7 maanden na hun huwelijk, wordt hun eerste kind geboren. Overigens was het in die tijd niet ongewoon dat men pas trouwde nadat de toekomstige bruid zwanger was. Ze wordt gedoopt op 5 januari 1908.
2 Hendrik (Henk).
Anderhalf jaar later, op zondag 2 mei 1909, wordt tot grote vreugde van de familie een zoon geboren,  Henk   
Een paar dagen eerder, op 30 april, was Hare Majesteit koningin Wilhelmina, getrouwd met Hertog Hendrik van Mecklenburg-Schwerin, bevallen van een dochter, prinses Juliana.
                   
Terwijl zoon Henk nauwelijks weet heeft van het leven buiten zijn wieg, barst ook in Aarlanderveen het feest over de geboorte van prinses Juliana los. De Rijnbode van woensdag 12 mei 1909 doet uitgebreid verslag van de festiviteiten.
 

            
Een week later, tijdens de kerkdienst op zondag 9 mei in de Gereformeerde kerk van Aarlanderveen, wordt zoon Henk gedoopt. In de koets rijden ze naar de kerk. Familie en bekenden hebben al een plaats in de zitbanken gevonden. Thuis wacht de koffie en de feestborrel met sigaar.
Maar, aan de feestelijke stemming komt al gauw een eind. Moeder Lijsje is ziek. Op donderdag 20 mei 1909 overlijdt zij, 69 jaar oud.  Waar een paar weken eerder een blijde doopdienst is gehouden vindt nu voor haar een rouwdienst plaats.
Ze wordt begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Zuideindsche weg in Aarlanderveen.
      
 Een gedeelte van het hek voor de begraafplaats aan het Zuideinde. Van boven naar beneden zien we het doodshoofd met gekruiste beenderen, het symbool van de dood; de gevleugelde zandloper, symbool van de voortschrijdende tijd; de zeisen, attributen waarmee de dood als persoon wordt afgebeeld en die de tijdelijkheid van het aards bestaan benadrukken; de slang die zichzelf in de staart bijt en de omlaag gericht, dus uitdovende, fakkels, beide eveneens als tekenen van de dood (uit: Omzien naar Aarlanderveen).
 
 
3 Barendina.
Dien is geboren op 3 november 1911 en wordt op 8 november gedoopt in de Gereformeerde kerk van Aarlanderveen.   
4 Gerritje Catharina.
Ger is geboren op 5 november 1912 en wordt gedoopt op 10 november in de Gereformeerde kerk van Aarlanderveen.
 
De Rijnlandsche Courant van 28-12-1912

Elisabeth en Henk, en later ook de jongere zussen gaan, voor zover ze niet in en rond de boerderij of op het land moeten werken, naar school. Op hun eerste schooldag worden ze door vader naar de christelijke school gebracht. Meester Pasma geeft vader een hand, ze wisselen een aantal woorden, en daarna worden ze naar hun plaats in de klas gebracht. De lesvakken zijn lezen, schrijven, rekenen, Nederlandse taal, aardrijkskunde, geschiedenis, vormleer, kennis der natuur en Bijbelse geschiedenis.
Waar iedereen het ook mee eens is, de school waarin ze les krijgen is te klein om alle leerlingen goed onderwijs te geven. Om het nieuwe schoolgebouw financieel rond te krijgen worden door het schoolbestuur aandelen uitgegeven. Juist in deze tijd maakt Jacobus, als secretaris, deel uit van het schoolbestuur. Zijn handtekening prijkt onder de vele uitgegeven aandeelbewijzen.
Op vrijdag 30 juni 1916 wordt een nieuwe school betrokken.
 
Ter gelegenheid van de opening gaan alle leerlingen op de foto. Op deze foto poseren alle leerlingen, samen met de onderwijzers Pasma en Jongeburger en de onderwijzeressen juffrouw Oord en Gré Barreveld.
In de tweede rij van boven, vierde van links, staat Elisabeth. Geheel rechts op de voorste rij zit Henk (uit: 125 jaar Christelijk Onderwijs).

Tante Dien (Berendina) vertelt over haar jeugd.
We speelden veel met knikkers op het schoolplein of op de straat voor ons huis met de kinderen uit de buurt. Bij de houtzagerij van Barreveld speelden we op de houtvlotten die daar in het water lagen. Henk viel een keer in het water en was toen boos op mij. Hij liep net zo lang met de natte kleren rond tot hij droog thuis kon komen. Opa Mulder woonde in De Meije bij Bodegraven. In de winter als er ijs lag gingen we met zijn vieren, moeder voorop, schaatsend over de bevroren sloten, bij hem op bezoek.
 
In 1915 wordt het station Aarlanderveen feestelijk geopend (Streekarchief Rijnlands Midden). Met vader en moeder maken we ritjes met de stoomtrein naar ome Gerrit in Den Haag of naar Rotterdam de stad bezichtigen. En met Sinterklaas lagen er altijd cadeautjes in de klompen.

 
 

Op de foto staat Henk met zijn hand in de bloes.
Hij had even eerder met zijn hand in een wagenwiel gezeten (foto familiearchief).


 
 

Aarlanderveen omstreeks 1918 (foto familiearchief).
Van links naar rechts: Gerritje Catharina, Barendina, Elisabeth, Hendrik.
 
 
Tijdens de mobilisatie van 1914-18 waren er kinderen uit België in huis. Die scholden ons steeds uit voor “Hollandse kaaskoppen”. We gingen altijd lopend naar school. De school was van de Ned. Hervormde Kerk. Het was een heel eind lopen naar school. Hoofd van de school was meester Pasma, een rot vent.
Ik heb nu nog een hekel aan die man.
Baan was koetsier van de notaris. Die woonde schuin tegenover de boerderij.
Hij zat dan met witte handschoenen aan op de bok.
Het was dan een hele verschijning. Verder was het een lastige man.
We hadden een dienstmeisje. Lies van ome Gerrit kwam het naaiwerk doen.
Ome Toos en moeder de Kleer zorgden voor de verkoop van losse stroop, snoep, losse suiker, kookflessen erwten en andere kruidenierswaren.
Ome Toos ging iedere week met de zelfgemaakte kaas naar de markt in Bodegraven om deze daar te verkopen.

Omstreeks 1920 is de indeling van de woning/boerderij als volgt.
Naast de winkel aan de voorzijde is de kamer met bedstee van Baan. Door de deur in de winkel komt men in de gang. Achter de deur van de winkel is de trap naar de zolder. Daar zijn de bedsteden van de kinderen, en die van Jacobus. Als de meisjes s’ avonds te veel en te lang naar de mening van Jacobus gekheid maken geeft dat nog wel eens aanleiding tot boze woorden.
Via de gang komt men in de woonkamer en de keuken en nog verder in het achterhuis. Daar is ook de pomp voor het drinkwater, koken en wassen. Door een deur in de gang komt men in de grote kelder. De kelder wordt vooral gebruikt voor het maken en bewaren van de kaas. 
Boven de sloot achter de veestal is de wc. In de zomer gaat het nog wel om zo boven het water uit de broek te gaan, maar in de winter, als het vriest en waait, is het flink afzien om met de billen bloot te gaan. In deze sloot, na verloop van tijd de stinksloot genoemd, staat de gashouder. Even voor het donker wordt port Jacobus flink in de bagger onder de houder. Het ontsnappende gas wordt in de houder opgevangen en door een langebuisleiding via de stal naar de woonvertrekken geleid en zorgt daar voor de verlichting. Niet te hard met een deur slaan, want de gaskousjes zijn teer en gaan snel stuk.
Ook petroleumlampen worden gebruikt. Vooral in de stallen en buiten op het erf. Tijdens de mobilisatie is petroleum een schaars product en bijna niet te krijgen, dus moest alles op het fornuis worden gekookt. De verlichting moet echter volledig op eigen gasbron werken. 
 
Het jaar 1912 is al met al een druk jaar geworden. De bouw van de wagenschuur is een eind gevorderd en het erf, na het dempen van de sloot, vergroot.
Uit de bouwactiviteiten blijkt dat de boerderij financieel goed draait. In de stallen staan 26 koeien en een aantal paarden. Tussen de werkzaamheden door heeft Baan tijd als koetsier bij notaris Van der Lee dienst te doen. De notaris woont schuin tegenover de boerderij. Als de notaris hem nodig heeft rijdt hij de koets voor, witte handschoenen aan en een hoge hoed op. Hij houdt het drie jaren vol en heeft er dan geen zin meer in.
Een goede indruk van de financiële gang van zaken is de Hoofdelijke omslag, een gemeentelijke bron van inkomsten. De gemeentelijke inkomstenbelasting tot 1931 werd vastgesteld aan de hand van het geschatte inkomen van ieder manlijk lid van het gezin.
In 1885 is Baan als winkelier ingedeeld in klasse 29 met een aanslag van
ƒ 4, - per jaar. In deze klasse vinden we beroepen als onderwijzer, koopman en melkboer.
In 1894 is zijn beroep melkboer, ingedeeld in klasse 25. Ook nu met
ƒ 4, - op zijn aanslagbiljet. Hieruit kan worden opgemaakt dat naast de veehouderij ook een winkel en een melkhandel wordt uitgeoefend.
Van 1894 tot 1897 is zijn beroep melkboer, daarna zien we op de aanslagbiljetten als beroep veehouder.
Het inkomen geeft een stijgende lijn weer met gedurende een aantal jaren gelijkblijvend inkomen.
Als vervolg op het overlijden van Lijsje Barreveld vindt op 19 juni 1915 ten overstaan van De ontvanger Van Voorthuijzen de boedelscheiding plaats.
De waarde van het huis met de stalling, schuur, erf, tuin, kade en water wordt geschat op ƒ 3.000, -. De waarde van de inboedel en de verdere roerende goederen op ƒ 600, -.
Van buurtgenoten is ook het inkomen bekend. In 1911 variëren deze van
ƒ 450, - tot ƒ 1.450, - met een uitschieter naar ƒ 8.500, -.




De Rijnbode van 10-04-1915

Met het verbeteren van het inkomen stijgt ook de hoogte van de inkomstenbelasting. Is in 1899 voor Baan, Henk en Jacobus een aanslag van ƒ 4, - de man nog gewoon.
 In 1817 staan Henk en Jacobus genoteerd voor ƒ 46,50 respectievelijk ƒ 55,80.
De oudste zoon van Baan, Piet, woont in 1911 ook in Aarlanderveen. Zijn inkomen is geschat op ƒ 500, -. Maar, met zes kinderen heeft hij zoveel aftrek dat geen inkomstenbelasting hoeft te worden betaald.
Een andere indicatie van de welstand is het recht aan verkiezingen te mogen deelnemen. Tot 1887 mogen alleen mannen die een bepaalde som als belasting betalen hun stem uitbrengen. Op de kiezerslijst voor de gemeenteraad van 1881 t/m 1883 komt de naam van Baan voor.
In 1887 wordt het kiesrecht uitgebreid tot hen die, zoals de kieswet het deftig stelt, door de kieswet te bepalen kentekenen van geschiktheid en maatschappelijke welstand bezitten.
In 1887 krijgen Baan, Henk, Jacobus, en Piet een uitnodiging deel te nemen aan de verkiezing voor de Provinciale Staten en Tweede Kamer. Alleen Baan en Piet mogen in dat jaar deelnemen aan de gemeenteraadsverkiezing.
Vanaf 1899 staan Baan en Piet opnieuw genoteerd voor deelname aan de verkiezingen voor gemeenteraad, Provinciale Staten en Tweede Kamer.
Het algemeen kiesrecht voor mannen komt in 1917 tot stand. Op de kiezerslijsten van 1917 treffen we de namen Baan, Henk en Jacobus aan.
Een andere vorm van belasting is de Hoofdomslag Schoolgeld. Hoewel Baan en Jacobus geen kinderen op school hebben worden ze toch aangeslagen voor het betalen van schoolgeld.
Tot 1816 vinden we de doopgegevens van de familie terug in de doopboeken van de Gereformeerde kerk. Vanaf 1816 ontstaat in Nederland een nieuwe volkskerk, de Nederlands Hervormde kerk.
In 1886 vindt, uit onbehagen over de sterke invloed van de moderne theologen in deze kerk, een afsplitsing plaats. Onder leiding van Abraham Kuyper wordt de Nederduitsche Gereformeerde kerk gesticht –de Doleantie.
Langdurig overleg met de Christelijk Gereformeerde kerken leidt in 1892 tot een fusie. In het kort is dit het ontstaan van de Gereformeerde kerk.
Omstreeks 1887 lopen in Aarlanderveen de gemoederen hoog op.
In een artikel in het Leidsch Dagblad van 21 februari 1887 lezen we het volgende.
“De heer J. Osinga, voorganger bij de doleerenden te Aarlanderveen, heeft zondag j.l. weer gepreekt in de kerk der Ned. Hervormde gemeente aldaar. Gelijk vorige keeren, was hij kwartier over negen al op den kansel.
Even half tien kwam de consulent, ds Jansen Schoonhoven, van Woerden geheel alleen het kerkgebouw binnen. In de kerkekamer vond hij de mede doleerden president-kerkvoogd, P. van Leeuwen Dz., en twee vrouwen, die kinderen ten doop brachten. In hare tegenwoordigheid verzocht hij de dien kerkvoogd hem tot den kansel toe te laten, maar dat werd geweigerd. Hij kon wel onder het gehoor van den heer Osinga komen. Dat wilde hij niet, zoodat hij het kerkgebouw verliet”.

Op 21 maart 1887 vindt om s’avonds zeven uur in de christelijke school een bijeenkomst plaats. Deze bijeenkomst is op verzoek van de kerkenraad van de Nederlands Hervormde kerk belegd. 


In tegenwoordigheid van notaris Krom uit Oudshoorn brengen 80 leden, waaronder Baan de Kleer, hun stem uit over de volgende vraag: “verklaart gij bovengenoemde kerkeraad al of niet als uwen wettigen kerkeraad te blijven erkennen”.
Door 79 van de aanwezigen wordt de vraag bevestigend beantwoord.
Nog geen jaar later is het hele gezin De Kleer lid van de Nederduitsch Gereformeerde kerk van Aarlanderveen.
Het kan verkeren!
Een eigen kerkgebouw heeft men op dat moment niet. Men gaat op zoek naar een locatie om daar een kerk te kunnen bouwen. Een lid van de kerk is bereid een deel van zijn eigendom te verkopen. Baan is één van de ondertekenaars van het koopcontract, getekend op 16 juli 1888.
De bouw van de kerk wordt met voortvarendheid ter hand genomen.Veel geld is er niet. Alle leden van de kerk werken op vrijwillige basis mee.
Juist in deze toch wel spannende periode vervult Baan van 1890 tot 1896 het ambt van diaken.
In deze periode zijn Henk en Jacobus lid van de Christelijke jongelingsvereniging Samuël te Aarlanderveen. Henk krijgt de functie van bibliothecaris binnen de vereniging.

 De gereformeerde kerk omstreeks 1905. Rechts daarvan de pastorie. Het kerkgebouw werd in 1888 in een paar maanden gebouwd. Door verzakking van de fundering werd in 1945 over restauratie gedacht, maar een jaar later besloot men tot afbraak en nieuwbouw (uit: Terug in de tijd).

Zoals eerder opgemerkt zijn de uitbreidingsmogelijkheden voor het bedrijf gering. Het erf is te klein en niet geschikt voor verdere bebouwing. In de polder achter het bedrijf is alle grond verpacht. Dus ook daar geen mogelijkheden voor vergroting van het bedrijf.
Na lang wikken en wegen besluit men uit te zien naar een andere bedrijfslocatie.
Door zoon Gerrit worden ze op het spoor gezet van een vrijkomende boerderij nabij Bergen op Zoom. Anderen zeggen ronduit, doe het niet. De mensen daar hebben een heel andere cultuur.
Maar, hun besluit staat vast: ze gaan!
Gelukkig weten ze dan nog niet wat hen daar boven het hoofd hangt, en wat voor een droom ze najagen.
In de krant van zaterdag 5 juni 1920 verschijnt de mededeling van de “Openbare verkoping” van winkelhuis met boerderij-bedrijf op woensdag 16 juni 1920 om 11.00 uur in het koffiehuis van Mej. Wed. Luijben.


Een paar dagen later, de krant van 9 juni, deelt de notaris mee dat de verkoop niet doorgaat!
Wat zou er aan de hand zijn? In het dorp gonst het van de geruchten en Henk en Jacobus hebben veel uit te leggen. De reden is echter simpel. In de eerste aankondiging van de openbare verkoop zijn twee percelen hooiland vermeld die geen eigendom zijn, maar gepacht. De eigenaar van deze gronden maakt terecht bezwaar tegen de verkoop. Bovendien heeft een goede kennis van Baan iets tegen de openbare verkoping. Hij wil graag uit de hand alles overnemen. En zo wordt op 17 juni 1920 het gehele eigendom verkocht aan Cornelis van den Berg voor ƒ 10.000, -.
Notaris C. van der Lee draagt zorg voor de koopovereenkomst.
De inventaris van de winkel en de overige niet mee te nemen spullen worden op 24 juni 1920 door Cornelis van den Berg overgenomen voor een bedrag van ƒ 3.300, -.
In 1942 wordt het geheel doorverkocht aan de Gebr. Van ’t Riet. Deze gaan aan het eind van de jaren ’70 tot sloop van de opstallen over.
 
Foto’s van het voormalige winkelhuis met boerderij omstreeks 1970 (foto familiearchief).











De Dorpsstraat te Aarlanderveen omstreeks 1920. De spoorbomen staan omhoog (uit: Terug in de tijd).
 
 
Vroeg in de ochtend van de 25e juni brengt men het meubilair, de fietsen, het vee en de paarden, ja zelfs van de gashouder kan men geen afscheid nemen, naar het station. Daar wordt alles in goederenwagons van de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij geladen. In de loop van de dag worden de wagons gekoppeld aan de stoomtrein. Uitgezwaaid door vele bekenden, vriendinnetjes en vriendjes uit de schoolklassen staan op het perron, zet de trein zich in beweging. Via Alphen a/d Rijn, Leiden, s’Gravenhage en Rotterdam gaat de reis. Het is stralend weer en ze genieten van het uitzicht. Onderweg wordt van locomotief gewisseld,  voor het overige verloopt de reis voorspoedig.
   
 
 
 
 
Bergen op Zoom 1920  tot  1923
 
Laat in de middag komt men aan in Bergen op zoom. Met vereende krachten worden de wagons uitgeladen. Vol verwachting gaat het richting boerderij aan de Bergsche baan.

Boerderij en woonhuis te Bergen op Zoom.  
 
 
Maar, daar wacht hen een minder plezierige verrassing. Ondanks duidelijke afspraken met de verpachter, de heer M.J. Scheffelaar van Dort, over de verzorging van het vee zolang ze zelf niet op het bedrijf aanwezig zijn, wordt dit onverzorgd en verwaarloosd aangetroffen. Niettemin gaan ze met veel plezier aan het werk. Maar het duurt weken voor het vee op krachten is en de koeien melk produceren.
De zandgrond waarop ze nu hun werk moeten doen is toch wel heel wat anders dan de veen- en kleigrond in Aarlanderveen. Was daar overal water binnen handbereik, hier op de hoge zandgrond moet het water uit welputten worden gehaald.
 

De inschrijving in het Bevolkingsregister van Bergen op Zoom.

De zomer van 1920 is warm en droog. In 1921 is het al niet veel anders. De wellen vallen droog en water moet van elders worden aangevoerd. Het land levert niet op wat er van verwacht wordt en, om het vee te kunnen voeren moet dit duur worden gekocht. Om dit te kunnen betalen wordt een lening aangegaan bij de bank. Eerst leent men een bedrag van 2.000 gulden en later, als ook in 1922 de zomer weinig regen levert, nog eens een bedrag van 11.000 gulden.
Zoon Henk gaat met de jongste zussen naar school in Bergen op Zoom.
Echter, nu de zaken minder goed gaan, is alle hulp op het bedrijf nodig. Op een ochtend verschijnt vader Henk in de klas, hij praat daar met de meester, en dat betekent meteen het eind van de schoolopleiding. En hij had nog wel zo graag timmerman willen worden.
Het bij huis zijn brengt ook andere ongemakken met zich mee. Als iedereen op het land is valt hij uit een boom. Hersenschudding constateert de inderhaast opgetrommelde dokter. Henk kan zich niets herinneren van wat er gebeurd is. Zijn moeder verbiedt hem om nog meer kattenkwaad uit te halen. Er moet worden gewerkt, punt uit.
Dat hij niet bang is uitgevallen, zelfs niet voor de meester wordt door zus Ger ervaren. Als ze een keer moet school blijven probeert hij haar, zonder zich iets van de meester aan te trekken,  uit school te halen. En als het hem niet zint wordt er meteen met de klomp op los gehakt.
 
Zus Barendina moet, nadat ze van school komt, gaan werken in Schiedam bij een kennis van Gerrit de Kleer, aannemer in Den Haag.
In 1921 maken ze voor het eerst daadwerkelijk kennis met het voor hen tot nu toe onbekende feest carnaval. Het gaat niet zonder problemen voorbij, want de tijdelijke knecht maakt van ieders afwezigheid gebruik om de voorraad worst danig uit te dunnen.

Deze foto is gemaakt op 19 april 1922 (foto familiearchief).
Van links naar rechts: een vriendin, Gerritje Catharina, Hendrik, een vriend.
 
 
 
In 1922 wordt van Gerrit de Kleer 7.000 gulden geleend. Het is een schijnoplossing, want door het achterwege blijven van de broodnodige regen blijven de schulden alleen maar toenemen.
En ’s avonds, als ze uitkijken over het droge land, wordt vaak met weemoed gesproken over de gouden jaren in Aarlanderveen. Waren ze daar maar gebleven. Hadden ze maar geluisterd naar de, achteraf gebleken, wijze en waarschuwende woorden.
Begin 1923 lopen de schulden zo hoog op, dat het terugbetalen onmogelijk wordt. Schuldeisers blijven echter op betaling aandringen en het eind van het bedrijf komt snel in zicht. Uitzicht op een oplossing is er niet. Het is kommer en kwel dat de klok slaat.

Bij vonnis van de arrondissement rechtbank te Breda, gedateerd 6 april 1923, worden Jacobus en Hendrik in staat van faillissement verklaart. Het totaal van de schulden is dan opgelopen tot bijna 13.000 gulden.
In de Staatscourant van woensdag 11 april 1923 wordt het vonnis wereldkundig gemaakt.


 
Op zaterdag 7 april verschijnen op het erf de curator en de deurwaarder. In het bijzijn van Jacobus wordt een boedelbeschrijving uitgevoerd en de waarde ervan vastgesteld. De waarde van de gehele inboedel wordt vastgesteld op 8.030 gulden.

 

Notaris Perée uit Bergen op zoom verkoopt de inboedel bij opbod. Tijdens een openbare verkoping. Van ver uit de omtrek komen boeren en nieuwsgierigen een koopje halen. Eén van de buren is begaan met hun lot. Op het moment dat een voorwerp wordt aangedragen waaraan de familie sterk gehecht is roept hij, “er mag niet worden geboden!” Om vervolgens zelf het voorwerp voor weinig geld te kopen. Voor hetzelfde bedrag kan het later door Hendrik wordenteruggekocht.
De totale opbrengst van de inboedel is mede daardoor lager dan was geschat en bedraagt 7.606,20 gulden. Van dit bedrag krijgt Gerrit de Kleer, die aan de hand van een schuldbekentenis hard kan maken dat hij recht op een bedrag heeft, 7.000 gulden. Voor de overige schuldeisers blijft er daarna weinig meer over.
De dag na de verkoping wordt het hun resterende meubilair aan boord van een beurtschip gebracht. Terwijl Baan meevaart, reizen de andere gezinsleden met de stoomtrein naar Dedemsvaart.
 
Tante Dien vertelt, “Jammer dat ze naar bergen op Zoom zijn gegaan. Het waren drie jaren van grote droogte. Er viel bijna geen regen. Het land leverde niets op. De wellen waren droog gevallen. Alleen lupine groeide volop langs de kant van de wegen.
In Aarlanderveen was overal water. Hier was alles dor en droog en dat was men niet gewend. Water voor de dieren moest worden aangevoerd.
We gingen daar naar school. Het was een lange weg die je moest lopen om bij school te komen.
In de boerderij keek je van uit de kamers zo op het land. Naast de boerderij stond een grote schuur. De waterput stond naast de boerderij.
Bij carnaval moest je oppassen, want als je even niet oplette, dan haalde men gewoon de worsten uit de kamer.
We gingen met de stoomtrein naar Rotterdam of Den Haag.
Op een foto van 1922 staat Henk met een soort tulband rond zijn arm. Hij was uit de boom gevallen. Hoe het kwam kon niemand vertellen.
Na drie jaar was al het in Aarlanderveen verdiende geld op. De rekeningen konden niet meer betaald worden. Alles moest worden verkocht. Tijdens de veiling zei een buurman, ‘jongens, er mag niet geboden worden.’ Voor weinig geld konden heel veel spullen worden teruggekocht. Het was een aardige man.
Na de verkoop is alles, ook de meubels, met wagens naar een grote open schuit, die in Bergen op Zoom lag, gebracht. En met de schuit zijn we naar hier gevaren. Baan zat er bovenop.”
 
 

Voor zoon Henk werd door zijn ouders een levensverzekering gesloten. De wekelijkse premie bedraagt 2,5 cent.
 
 
 
 
Dedemsvaart  1923  tot  1972




Uit de Grote Bosatlas 1920

                 
Langs het kanaal de Dedemsvaart. Op de achtergrond de brug richting 16e wijk (d'Avereester Kroniek).


Het gezin van Henk en Maria de Kleer met Baan en Jacobus vinden op zaterdag 28 april 1923, na een lange reis uit Bergen op Zoom onderdak in een boerderij aan de 16e wijk in Dedemsvaart. Deze boerderij is eigendom van Gerrit de Kleer.
Gerrit de Kleer, aannemer/bouwkundige te ’s-Gravenhage was één van de hoofdrolspelers bij het faillissement van het boerenbedrijf in Bergen op Zoom. Na verkoop van de inboedel van het boerenbedrijf aan de Bergschebaan nr. 12 bleek hij recht te hebben op 7.000,= gulden op basis van een onderhandse acte die hij met Hendrik en Jacobus de Kleer in juni 1922 had gesloten. Wellicht heeft hij deze geldsom gebruikt om aan de 16e wijk een boerderij te kopen. Voor het gezin is het een geheel onbekende omgeving. Zonder geld en een onzekere toekomst. De boerderij mogen ze bewonen en het bijbehorende land bewerken.
Tante Dien vertelt,
“De boerderij aan de 16e wijk/Zwarte Pad was van Gerrit de Kleer en Aaltje Tibben. Ome Gerrit was aannemer in Den Haag. Aan het Zwarte Pad was het kommer en kwel. Bieten en aardappels poten, ik vergeet het nooit meer. Moeder was te benauwd om geld uit te geven voor kleren of wat dan ook. Alles moest naar ome Gerrit. We werkten voor niets daar.
Ome Gerrit had de boerderij gekocht, maar was op één of andere manier bedrogen en dat werd op ons verhaald.
Jonge Gerrit hield voor zijn vader de zaak in de gaten. En als er iets gebeurde dat niet naar zijn zin was, dan ging hij naar het dorp. Moeder zei dan, ‘daar gaar hij weer zijn vader bellen.’ En ja hoor, de andere dag kwam die dan luidkeels zijn ongenoegen laten merken.
Tijdens de brand zat ome Gerrit op de brug.
De verzekering betaalde bijna niets uit. De schade aan het meubilair was brandschade, en dat was niet verzekerd. Ze kregen niets uitbetaald. Onder een plank vonden ze 150 gulden. Ze vertelden het niet aan ome Gerrit. Konden ze eindelijk een jurk kopen. Henk had als taak het karnen van de melk. Komen zijn zussen in de buurt, dan probeert hij ze met sigaretten aan het karnen te krijgen.”
Op 30 september 1927 geeft zoon Henk zich op als vrijwilliger bij het Landstormverband. Per jaar worden 300 oefenuren gemaakt. Op 1 februari 1929 wordt hij als gewoon dienstplichtige ingelijfd bij het Regiment Grenadiers.
In de Dedemsvaartsche Courant van 22 juli 1929 staat o.a. het volgende artikel.
“Vrijdagmiddag ontstond brand in de landbouwbehuizing bewoond door Gebr. De Kleer aan de 16e wijk alhier en in eigendom toebehorende aan den heer G. de Kleer te Den Haag.
Door de grote droogte verspreidde het vuur zich in een minimum van tijd door de schuur, gretig voedsel vindende in de asphaltbedekking onder de pannen en deelde zich ook weldra aan het voorhuis mede.
De bewoners moesten in allerijl het huis verlaten, wat nogal eenige moeite veroorzaakte met den ruim 90-jarige vader, die gedragen moest worden.
De brandspuit arriveerde zoo spoedig mogelijk en gaf met 4 stralen water, doch toen was het pleit reeds grootendeels beslecht. De levende have kon in veiligheid worden gebracht, maar overigens kon zoo goed als niets gered worden. Ook de inboedel ging bijna geheel verloren. De geheele hooioogst was in de schuur geborgen.
Over de oorzaak van de brand verkeert men in onzekerheid, alhoewel dit waarschijnlijk hooibroei is geweest.
Zowel het huis als de inboedel waren verzekerd bij de Onderl. Brandwaarborg-Maatschappij De Jong en Co te Amsterdam.
Zaterdagmiddag moest de brandweer opnieuw uitrukken naar de boerderij van Gebr. De Kleer. De hooiberg, welke men na de brand niet uit elkaar had geworpen, had weer vlam gevat. Met behulp van eenige buren en knechts en bijgestaan door de brandspuit, was de berg spoedig uit elkaar en verder gevaar geweken.”
Moeder Dina de Kleer vertelt,
“De familie De Kleer woonde in 1929 in een boerderij hoek 16e wijk Zwarte Pad. We kenden elkaar (Henk) toen nog niet. We (Hennie Beumer en ik) stonden die dag buiten te praten toen een knecht van bakker Nanning langs kwam en vertelde dat er brand was aan de 16e wijk bij DeKleer.
‘Hoe zou dat zijn gekomen’ was de vraag van Hennie. Het antwoord was, ‘dat zal wel aangestoken zijn.’ Zo ging dat in die tijd. Gerrit de Kleer had de boerderij gekocht. Hij had een zoon die het vak moest leren.”
 

Na de brand verdwijnt ook de tekening van de boerderij in Bergen op Zoom die steeds als herinnering aan een muur in de keuken heeft gehangen. Waterschade is de reden dat moeder Maria definitief afrekent met dit stukje zichtbare herinnering uit het eveneens niet zo gelukkige verleden.
Terwijl Gerrit de Kleer met de verzekering onderhandelt over de herbouw van de boerderij wordt het gezin dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van de brand. Tijdens de brand was het op stal staande vee gered. Zoon Henk had, zo vertelde hij later, op dat moment dikke planken kunnen breken om de dieren naar buiten te krijgen. Onderdak vinden ze in een schuur die bij de brand gespaard is gebleven. Gedurende de zomermaanden is dit geen probleem, de temperatuur blijft voorlopig op een redelijk niveau. De daarop volgende herfst- en wintermaanden doen ze dagelijks verlangen naar een warme huiskamer. Een andere woning is dringend noodzaak. De financiële positie van het gezin is niet al te rooskleurig. Tijdens de brand is een deel van de inboedel verloren gegaan en niet alles was verzekerd. Daarnaast leeft men steeds in angst dat schuldeisersuit Bergen op Zoom, als naweeën van het faillissement daar, alsnog geld komen opeisen. En, als er dan iets kan worden gekocht, dan niet op naam van Baan, Hendrik of Jacobus.


Begin 1930 biedt Berend Jan Baron Langewijk 442, een perceel met winkelhuis, met daarachter een houten schuur, een boomgaard, en een stuk bouw-, wei- en hooiland, te koop aan. De totale oppervlakte bedraagt 1.01.50 ha.
Met de ondertekening van de akte van koop en verkoop op 5 mei 1930 bij notaris B.H. Kelder wordt zoon Henk de Kleer voor ƒ 9.000,= eigenaar van het perceel en een deel van de inboedel. Een deel van het voor de koop benodigde geld, ƒ 3.000,=, wordt geleend van neef Leendert de Kleer, onderwijzer in Boskoop. Daartoe wordt ook op 5 mei 1930 een schuldbekentenis met hypotheek getekend. In datzelfde jaar wordt van Klaas Wildeboer een perceel weiland gekocht, ter grootte dan 65.70 are, gelegen aan Rheezerbovenveen.
Begin 1800 was het gebied waar later Langewijk 442 zou ontstaan een onafzienbare oppervlakte woestenij, bedekt met schrale heideplanten en hier en daar een laagte met water. Geen weg of voetpad in de buurt.

Omstreeks 1812 begon Van Dedemsvaart van uit Balkbrug een kanaal in oostelijke richting te graven. Een aantal jaren later wasnaal gereed tot aan de grens met Rheeze (het gebied  Sluis 6 ligt). Later, omstreeks 1817, werd een begin gemaakt met het graven van een tweede kanaal, ongeveer evenwijdig aan de Langewijk. Dit kanaal kreeg de naam de Dedemsvaart. Ook dit kanaal werd niet verder doorgetrokken dan de grens met Rheeze (ongeveer nabij de plaats waar nu de rollepaal staat).
Zeker is, dat eerst het kanaal de Langewis aangelegd en jaren later het kanaal de Dedemsvaart.
De bouw van de schutsluis, Sluis 6, dateert van rond 1830. Daarbij werd ook de verbinding tussen de Langewijk en het kanaal de Dedemsvaart geggraven, de Schutwijk. In dezelfde tijd is het huis van de sluiswachter gebouwd. Rond de sluis werden in korte tijd een aantal winkel/woningen en boerderijen opgericht. Voor zover kan worden nagegaan is de boerderij aan de Langewijk 442 omstreeks deze tijd gebouw. Op een schilderij uit 1885 staat naast de boerderij Langewijk 442 nog een aantal woningen. Op meerdere ansichtkaarten staat de boerderij prominent aangegeven. 
 
Sluis VI omstreeks 1885.
In het midden achter de bomen links de boerderij aan de Langewijk. Rechts, na de brug, de woning van de sluiswachter. Dit gedeelte van het kanaal de Langewijk is in 1926 gedempt waarbij het kanaal rechts achter de woningen langs is gegraven (d' Avereester Kroniek). 
 
                           
Omgeving Sluis 6 omstreeks 1930. Tegenover de T-wegaansluiting de boerderij. Rechts van de wegaansluiting het tramstation.


Direct na de ondertekening van de akten wordt de boerderij in gebruik genomen. Het meubilair en het vee wordt op platte wagens geladen en overgebracht van de 16e wijk naar de Langewijk.
Bij het betrekken van de boerderij bestaat het gezin uit grootvader Baan, (zijn vrouw Lijsje Barreveld was op 20 mei 1909 in Aarlanderveen overleden), Jacobus (een ongetrouwde broer van Baan), vader Hendrik  en moeder Maria Mulder en de kinderen Henk, Barendina (Bet) en Gerritje Catharina (Ger). Een paar maanden voor de fatale brand is Elisabeth met Jan Reurink getrouwd en woont  elders in degemeente.

In de tuin naast Langewijk 442 omstreeks 1930 (foto familiearchief).
Bovenste rij van links naar rechts: Jacobus, Hendrik jr., vriendin, Barendina, Gerritje Catharina, Hendrik Zuidema, Jan Reurink. Onderste rij: Baan, Hendrik sr., Maria de Kleer-Mulder, Elisabeth met kleindochter Marie.
Aan de Langewijk wordt het bestaan voortgezet zoals men gewend is. Hard werken en alles aanpakken wat in het belang is van de boerderij. In de winkel worden melkproducten verkocht, men karnt zelf, maakt kaas, en melk wordt uitgevent. In de oven wordt brood gebakken. Ook de eieren worden via de winkel verkocht. In de broedmachine worden eieren uitgebroed.
Het beroep van zoon Henk is tot aan zijn trouwen landbouwer. Zijnwerk bestaat echter in hoofdzaak uit het draaiende houden van het boerenbedrijf.
De sluiswachter van sluis 6 weet zich jaren later nog te herinneren dat Hendrik jr. regelmatig met een paard aan de hand over de sluisbrug voorbij kwam. Het paard liep niet eerder verder nadat het van hem een klontje suiker had gekregen.
Volgens de brand- en inboedelverzekering van 26 juni 1930 is de huishoudelijke inboedel verzekerd voor ƒ 3.777,=. In de verzekering wordt een opsomming gegeven van de inboedel. Aanwezig is een naaimachine ƒ 90,=; vijf rijwielen ƒ 225,=; boeken ƒ 40,=; orgel ƒ 225,=; akker- en melkgereedschappen ƒ 250,=; hooi ƒ 500,=; koeien ƒ 930,=; schapen ƒ 70,=; winkelopstand ƒ 200,=; kruidenierswaren, boter, kaas enz ƒ 250,=; maten, gewichten en weegtoestellen ƒ 50,=; timmergereedschappen met kist ƒ 45,=; kunstmoeder ƒ 30,=; duif met kooi ƒ 6,=; konijnen met hokken ƒ 12,=.
Dat de inventaris regelmatig wijzigt blijkt uit het jaarlijks aanpassen van de verzekeringspolis. Men let op de kleintjes.
Het leven op de boerderij heeft zo zijn vaste ritme gekregen. Iedereen heeft daarin zijn of haar eigen taak. Koeien melken, de melk bewerken, kaas maken, de melk uitventen, de groentetuin en de boomgaard bijhouden. Jacobus, ome Toos, gaat op vaste dagen de buurt af om schillen voor het vee op te halen. Het stuk land achter buurman Wierbos wordt door hem gebruikt voor het houden van schapen en krijgt de benaming schapenweide.
Een stuk land achter de boerderij Mulder is ook overgenomen tijdens de transactie met Baron. Dit wordt gebruikt om de koeien van gras te voorzien en als hooiland.
Naast het gemeentehuis is een perceel grond gepacht. Deze grond wordt in hoofdzaak gebruikt voor het verbouwen van graan, maar ook als hooiland.
Om het graan van de boeren in de buurt te dorsen wordt met schuiten een dorsmachine aangevoerd. Deze met stoom aangedreven machine wordt op een afgesproken plek, een stuk land langs het kanaal, neergezet. Het graan wordt tijdens het dorsen in jute zakken gedaan en het stro in pakken geperst.


Het dorsen van het graan. Midden op de foto, bij de driewielige kar, Henk de Kleer (foto familiearchief).

Achter de dorsmachine wordt het stro tot stropakken geperst (foto familiearchief).
Het graan wordt afgevoerd naar de tegenover de boerderij gelegen maalderij van Gebr. Varwijk, daar gemalen en verkocht. De stropakken worden opgeslagen in de grote schuur achter de boerderij. Ook het hooi wordt hier opgeslagen. Het stro wordt voor veel doeleinden gebruikt.
De koeien en paarden liggen er op. Maar, ook worden strozakken er mee gevuld. De strozakken worden gebruikt in de bedsteden, dus om op te slapen. Vers stro is van groot belang om de strozakken op dikte te houden.
Een deel van de grote schuur wordt gebruikt voor het houden van varkens. Deels voor eigen gebruik, maar voornamelijk voor de verkoop.
De schuur dient ook voor stalling van de koets en de driewielige kar.
Het uitventen van de melk hoort tot de werkzaamheden van Henk jr.. Nog steeds hoopt hij op een kans om timmerman te worden, maar het zit er niet in. Als hij toch aan het knutselen slaat, bindt hij een lap rond de hamer opdat zijn vader het getimmer toch vooral niet zal horen. Wordt hij betrapt, dan verdwijnt het resultaat van zijn hobby al snel in het fornuis in de bijkeuken.
Weinig inspirerend dus.
 
Op 8 maart 1932, om 10.00 uur in de ochtend overlijdt Baan. Hij is dan 93 jaar oud. Hij was een man die niet bang was voor veranderingen en daardoor in zijn leven heel veel heeft meegemaakt. Hij wordt begraven op de begraafplaats “Achterveld” in graf nr. 467, 2e klas. Voor een grafsteen was op dat moment geen geld beschikbaar. Later is het er niet van gekomen. 
Op 15 mei 1936 trouwt dochter Gerritje Catharina met Hendrik Zuidema. Zij trekken in bij de familie De Kleer aan de Langewijk. Dochter Barendina trouwt op 1 september 1939 met Gerrit Kamphof. Zij gaan wonen aan de Langewijk nabij de Gereformeerde Kerk.
Zoon Henk heeft inmiddels verkering met Dina Lutina Beumer, een dochter van Klaas Beumer en Roelofje Nijkamp. Zij woont aan de Rollepaal nr. 8. Van uit de boerderij kan hij haar, bij wijze van spreken, dagelijks volgen.
In 1940 wordt de boerderij bewoond door vader Hendrik met moeder Maria, ome Toos en de familie Zuidema. De boerderij eigendom is van zoon Henk, hij zorgt voor aflossing van de hypotheek en betaalt tot juni 1942 zelfs de inboedelverzekering. Ze vergeten hem de huur te betalen en hij wil er geen ruzie over maken.
Als gevolg van de algehele mobilisatie vertrekt Henk op 29 augustus 1939 als dienstplichtig infanterist bij het regiment Grenadiers 2-1-23 RI naar de Willemskazerne in Gorinchem.
Af en toe mag hij naar huis voor familiebezoek. Terwijl de dreiging van de oorlog met Duitsland toe neemt trouwt Henk op 29 maart 1940 met Dina Lutina Beumer.
 
Vanuit de woning van de bruid aan de Rollepaal gaan ze met de koets naar het gemeentehuis en vervolgens naar de Gereformeerde kerk aan de Langewijk. Daar wordt door Ds. S. Neerken het huwelijk ingezegend.

Trouwfoto Henk en Dina (foto familiearchief). 
Veel tijd om van de huwelijksdagen te genieten is er niet. Henk moet terug naar de kazerne in Gorinchem en Dina blijft achter bij haar ouders.
Eind april wordt in Nederland de staat van beleg afgekondigd. Vanaf dat moment zijn alle verloven ingetrokken.

Interieur soldatenkantine Willemskazerne Gorinchem (familiearchief)
Geschreven tekst op achterzijde van de kaart: Als jullie soms schrijven moeten jullie schrijven op een ansicht. Het adres H. de Kleer 2-1-23RI Oostfront. Vesting Holland. Veldp K6. Verder alles wel.
De kaart is afgestempeld: Gorinchem 10-5-1940, en gericht aan Fam. H. de Kleer, Sluis 6, Dedemsvaart.
In de vroege ochtend van de 10e mei gebeurt dat waar iedereen al maanden bang voor is. Duitse troepen vallen het land binnen. In de kazerne worden ze wreed gewekt. Nederland is in oorlog. En terwijl ze zich verzamelen worden ze van uit de lucht aangevallen.
Met gillende sirene duiken stuka’s naar beneden  en laten bommen vallen. Jachtvliegtuigen schieten op alles dat beweegt. De eerste gewonden vallen. Ze krijgen opdracht om de verdediging van Rotterdam teversterken. Langs de Diefdijklinie trekken ze richting Rotterdam. Vergeefse moeite. Op de 14e mei zien ze van uit de verte het bombardement op Rotterdam. En dan is de oorlog ook voor hun voorbij. Lopend keren ze terug naar de kazerne in Gorinchem.


Geschreven tekst op achterzijde kaart:       
Gorkum 21 mei. Afz. H. de Kleer, 2-1-23RI, Oostfront, Vesting Holland, Veldpostkantoor 6.
De kaart is afgestempeld: Gorinchem 20-5-1940 en gericht aan Fam. H. de Kleer, C1 Sluis 6 Dedemsvaart (familiearchief).
 
Op 26 mei 1940 krijgen ze de mededeling dat ze naar huis mogen. Ze ontdoen zich van hun uniform en steken zich in gekregen burgerkleding. Soms meerijdend, dan weer te voet gaat het richting Dedemsvaart. De IJsselbrug bij Zwolle is aan het begin van de strijd door Nederlandse soldaten opgeblazen. Met roeibootjes worden de reizigers overgezet.
In de boerderij aan de Langewijk gaat het leven gewoon door. Henk neemt zijn oude beroep, het verkopen van melk aan de deur, weer op. Het liefst zou hij timmerman zijn geworden, maar zijn ouders zijn er nog steeds op tegen. Het boerenbedrijf gaat bovenal.
Maar om te wonen is er voor hun beide geen plaats in de boerderij.
Noodgedwongen trekken ze in bij de familie Beumer. Het huis van de familie Beumer is in 1927 gebouwd door Klaas Beumer. Het huis wordt in twee aparte woningen gedeeld. De ene helft (gezien vanaf de Rollepaal het linker gedeelte)wordt bewoond door Hendrik Jan (ome Jan) Beumer en tante Alie Batterink. De andere helft door opoe Beumer (Roelofje Nijkamp).
In dit gedeelte woont ook Henk en Dina na hun huwelijk.
                                                
De woning Rollepaal 8. In het rechter deel (1 raam in de voorgevel) woont het gezin De Kleer in bij opoe Beumer (foto familiearchief).
Op zondag 22 juni, om half vijf in de morgen, wordt zoon Hendrik geboren. Iedereen is blij, zelfs opa en oma De Kleer. De stamhouder is er.

 

Achter de Gereformeerde lagere school de Gereformeerde kerk. Voor de school de pastorie.   
De Gereformeerde kerk, de kosterswoning waarin de familie Kamphof woonde, daarvoor de woning van de familie Reurink en rechts de Gereformeerde lagere school. In deze kerk is het huwelijk ingezegend van Hendrik de Kleer-D.L. Beumer, Marinus de Kleer-S. Wessels, Roelofje M. de Kleer-J. Bruins.


 
De Duitsers verbieden het dragen van een oranjespeldje op Koninginnedag, 
zondag 31 augustus, de verjaardag van koningin Wilhelmina.
Bij het uitgaan van de Gereformeerde kerk leidt dit tot een behoorlijk handgemeen tussen kerkgangers met een oranje-speltje en een aantal NSB’ers uit Zuidwolde. Dankzij de meerderheid van het kerkvolk en na het in het water werpen van een NSB’er druipen de aanvallers af.
Vader Henk richt achter het huis een hobby schuurtje op. Daarmee gaat een wens van vele jaren in vervulling.
Op 27 juni 1941 wordt hij lid van de Coöp. Stoom-Zuivelfabriek “Op Hoop van Zegen” te Sluis 6. De melkwijk strekt zich uit vanaf de melkfabriek tot aan de Van Haeringenstraat. Ook de woningen aan de Rollepaal vallen onder zijn wijk.
In 1965 wordt het lidmaatschap beëindigd.
Via de draadomroep luisteren ze naar de radio naar de hit uit 1941, “Weet je nog wel die avond in de regen”, van de Ramblers.
Bij de Gereformeerde kerk wordt begin 1942 op zondagen de zogenaamde fietsenwacht ingesteld om daarmee te voorkomen, dat na afloop van de kerkdienst het vervoermiddel door een ander is ingepikt. In mei wordt door de Duitsers de Jodenster ingevoerd. Ook in Dedemsvaart, waar een groot aantal Joden woont, worden zij verplicht de gehate ster te voeren. De Duitsers vorderen fietsen en hebben zich inmiddels geïnstalleerd in huize “Veldzicht” aan de Langewijk. Ook zij betrekken hun melkproducten bij vader Henk.
Op dinsdag 18 november van dit jaar wordt broer Klaas geboren. Hij is vernoemd naar opa Beumer.
Het huis aan de Rollepaal raakt zo langzamerhand aardig bezet. Bij de familie Beumer is inmiddels ook de eerste zoon geboren.
Eddy Christiani houdt de moed erin met zijn hit, “Als op Capri de rozentuinen bloeien”.
Voedselproblemen kennen ze niet. Dankzij de melkhandel beschikken ze over voldoende melkproducten. En ze kunnen deze ruilen met brood uit de bakkerij van buurman Nanning. Groente is ruim voorhanden in de tuin van oom Jan Beumer, gelegen direct achter het huis.
De “Arbeidsinsatz” wordt in 1943 ingevoerd, en dat leidt overal in het land tot stakingen. Zowel vader Henk als oom Jan Beumer is in het bezit van een officieel document dat hen vrijwaard van de Arbeidsinsatz. Beide zijn ingeschakeld bij de voedselvoorziening. Toch nemen ze geen enkel risico. Achter in de groentetuin staat een grote compost- en mesthoop. Daarin zit, gecamoufleerd, een holle ruimte. Groot genoeg voor het verbergen van twee personen. Komt er een melding van een razzia, dan kruipen daarin weg tot de kust weer veilig is.
De hit van 1943 is, “Als op het Leidseplein de lichtjes weer eens branden gaan”, van Willy walden. De geallieerden landen op Sicilië.
In 1944 worden grote delen van Zeeland en Zuid-Holland onder water gezet.Bijna 95.000 bewoners moeten evacueren. Langs de kuststreek worden bunkers gebouwd waardoor nog eens 300.000 mensen uit hun huis worden verdreven.
Het aantal voedselzoekers van uit het westen neemt gestaag toe. Ze krijgen ook in huize De Kleer en Beumer eten en onderdak voor de nacht. Bij hun vertrek krijgen ze, voor zover mogelijk, eten mee.
Vader Henk bezorgd tijdens het uitventen van de melk bij belangstellenden een illegaal krantje. Elders in zijn wijk wordt de Engelse zender afgeluisterd en het nieuws vervolgens gedrukt.
Wederom verschijnt de vroedvrouw in huize De Kleer, nu in verband met de geboorte van broer Marinus op 14 augustus.
Vader Henk en oom Jan duiken steeds vaker onder, zelfs in de nacht.
Op 3 september vindt het laatste transport van Nederlandse Joden naar Auschwitz plaats. Onder hen bevindt zich Anne Frank met haar familie.
Een stroom van geruchten over een snelle bevrijding breekt los. Twee dagen later breekt er paniek uit onder NSB’ers. Ruim 60.000 collaborateurs vluchten naar Duitsland.
Op 18 september wordt Maastricht bevrijdt, op 9 november Walcheren. Voedseltransporten naar het westen van Nederland worden door de Duitsers stilgelegd.
De Hongerwinter van eind 1944 en begin 1945 laat ook in Dedemsvaart zijn sporen na. Het aantal voedselzoekers neemt toe, maar niet iedereen kan worden geholpen. Jonge kinderen uit de omgeving van Utrecht worden tijdelijk opgevangen om aan te sterken. 
Maar de bevrijding komt steeds naderbij.
Begin april treedt Henk op verzoek toe tot de Binnenlandse Strijdkrachten. In afwachting van de komst van de geallieerden worden kruispunten bewaakt. Vanuit Lutten komen Canadese verkenners Sluis 6 binnen rijden.
 
Een Staghound(foto Elle Laegers)
Oost-Nederland werd bevrijd door het Canadese 18th Armoured Car Regiment (“The XII Manitoba Dragoons”) Het was een Cavallerie verkenningsregiment. De mannen hiervan waren voornamelijk afkomstig uit de Canadese provincie Manitoba en het oostelijk deel van de provincie Satchkatchewan. Regimentscommandant was Major Patrick C. R. Black.  Elke Fighting Troop beschikte over 4 gevechtswagens: Scout Car (Lynx), Lead Car (Staghound), Second Car (Staghound) en Scout Car (Lynx).  De Staghound had een bemanning van 5: commandant, bestuurder, radio-operator, schutter en een boegschutter-tweede bestuurder. In de Lynx zaten 2 man: wagencommandant (schutter-radioman) en een bestuurder. De Staghound was uitgerust met een koepel met snelvuurkanon en mitrailleur en had tevens een mitrailleur in de boeg. Staghound De voornaamste taak was om bruggen en belangrijke kruispunten in handen te krijgen om zo de wegen voor de opmars van de legergroep vrij te maken. 


Het is vrijdagmiddag 6 april 1945. Voor de boerderij van opa en oma De Kleer wordt door de voorste Staghound haastig halt gehouden. Terwijl de toeschouwers gemaand worden weg te gaan vallen er schoten. Vluchtende Duitsers uit huize “Veldzicht”  worden onder vuur genomen. De feestvierders hebben geluk, want de Duitsers schieten niet terug. En dan is ook voor Sluis 6 de oorlog voorbij. Op 7 april wordt Dedemsvaart bevrijd. Gedurende de daaropvolgende dagen trekt een onafgebroken stroom militaire voertuigen voorbij de boerderij.
De Nederlandse hit is, "Trees heeft ’n Canadees".
 

Huize "Veldzicht" omstreeks 1960 (uit: De Dedemsvaart zijn stad, streek en dorpen).
In de woning Rollepaal 8 brengen de zonen Henk, Klaas, Marinus en Jaap tot 1948 hun jeugdjaren door. Geleefd wordt in een kamer van ongeveer 4 bij 3 meter, bij de bouw van de woning bedoeld als slaapkamer. Aan de voorkant een kamer van eveneens 4 bij 3 meter. Deze (voor)kamer wordt door opoe Beumer gebruikt als slaapkamer. En voor bezoeken van de dominee, ouderling of dokter. 
In de hoek van de (woon)kamer naast de deur naar het achterhuis staat het fornuis. In het achterhuis, bij de bouw ingericht als stal met schuur, staat deregenwaterpomp boven een
grote bak. Daar tegenover de wc. Zonder waterspoeling. Een houten zitting met een rond deksel met handvat. Aan een spijker de stroken krantenpapier om de billen af te vegen. Buitenshuis de beerput.
Naast de wc een tafeltje waarop petroleumstelletjes. Hierop wordt voor het hele gezin het eten gekookt.
In de winter is het alleen warm in de (woon)kamer bij het fornuis.
De fam. Beumer bezit een echte woonkeuken met aanrecht. De woonkamer, gelegen aan de voorzijde wordt soms gebruikt als slaapkamer. Men beschikt over een eigen wc gelegen achter in de schuur. Ook zonder waterspoeling. Een grote emmer doet dienst als opvang. Alle slaapkamer zijn op de zolder. Ook die van de fam. De Kleer. Om deze te bereiken moet men altijd gebruik maken van de trap in de woonkeuken van de fam. Beumer.
In het najaar wordt het gemeste varken geslacht. De knosse, huisslachter Wierbos in dit geval, bindt met enige hulp van ome Jan en vader Henk het schreeuwende en spartelende varken op een ladder. Wierbos steekt met een dolk het varken in de halsslagader. Het bloed gulpt in een klaarstaande teil. Na wat gerochel ligt het varken doodstil.
Het varken wordt overgoten met heet water waarna Wierbos met een handig stuk gereedschap de haren van het varkenschraapt. De haarstoppels worden in een snelle beweging afgebrand.
De ladder wordt overeind gezet, het varken in de lengte richting open gesneden en de poten vastgezet aan een dwarshout. Ontdaan van ingewanden staat het varken te pronken in de keuken. De keurmeester drukt hier en daar een stempel waarmee het vlees is goedgekeurd voor consumptie. Hij ontvangt zijn keurloon en verdwijnt weer.
Daarna wordt het varken in stukken opgedeeld. De darmen zijn inmiddels schoongespoeld en worden gebruikt voor het maken van de verschillende soorten worst.
Het maken van de worst gebeurt in de keuken. Stukken vlees worden in de trechter van de met de hand bediende worstmachine geduwd.
De teil met bloed wordt al roerende gevuld met allerlei ingrediënten. Het mengsel wordt gebruikt voor het maken van bloedworst.
In plakken gesneden en gebakken smaakt deze worst heerlijk. De worsten worden opgehangen aan latten tussen de zolderbalken.
De blaas van het varken wordt opgeblazen, dichtgebonden en als voetbal gebruikt.
Niets van het varken gaat verloren. De kop en poten worden in de snert verwerkt. Het spek tot kaantjes gebakken. De hele winter lang was er dan voldoende te eten

Rechts van het huis staat de bakkerij van Nanning. Links de Delana kousenfabriek.
Voor het huis ligt over de volle breedte een gazon. Daarlangs een gazen hekwerk, dan een smalle zandstrook als wandelpad en vervolgens de bestrating van de weg, genaamd Rollepaal. Tussen de straat en de kanaalkant loopt hetsmalspoor van de DSM (Dedemsvaartsche Stoomtramweg Maatschappij), en tenslotte kwam je dan bij het water van het kanaal de Dedemsvaart. Staande voor het huis ligt links de ophaalbrug over de Langewijk en schuin links voor, de sluis (sluis 6). Kijkend over de ophaalbrugbrug zie je boerderij van de fam. De Kleer, met de grote Lindebomen langs de straat.

Sluis 6 gezien vanaf de Rollepaal.
Rechts van de brug over de sluis het huis
(niet zichtbaar) van bakker Bakker.
De sluis is gesloopt in 1972
(foto familiearchief).
Een aantal malen op de dag komt de stoomtram voorbij. Een paar keer worden we op de tram gezet voor een bezoek aan de fam. Storteboom in Lutten.
                
In het midden van de foto de aardappelmeelfabriek De Baanbreker. Links daarvan het huis van de familie Storteboom. De stoomtramhalte lag een paar honderd meter richting Dedemsvaart. Om bij het huis van de familie te komen moest je de brug over en dan met een flinke omweg achter de fabriek langs.
Daar blijven we dan een aantal nachten. Ze hebben ook een tuinderij. En in de stal staan een paar geiten. De melk ervan is niet te drinken. "Geef ons maar koeienmelk", maar dat hebben ze niet.
De halte van de stoomtram ligt schuin tegenover de boerderij. Op het stukje zijspoor staan altijd wel een aantal goederen-wagons. Vaak beladen met turf voor afnemers in de buurt.
Op 31 maart 1947 rijdt de laatste personentram. In de loop van 1947 wordt het spoor van uit de richting Lutten opgebroken.
In de ophaalbrug blijven nog jarenlang de spoorrails aanwezig. Tot ook deze brug bij het dempen van het kanaal verdwijnt.
Ome Jan Beumer heeft een tuiniersbedrijf. Het land ligt direct achter het huis en strekt zich aan de rechterzijde uit achter de boomgaard van Nanning en  de linkerzijde achter de Delana fabriek. Een groot deel van de groente wordt onder zgn. platglas gekweekt. Dat wil zeggen in lage kassen op ongeveer kniehoogte. Hierin kweekt hij komkommers, sla en postelein. Soms gaan we ’s avonds mee de ramen van de kassen te sluiten.
Om de groenten van het land te halen of mest te brengen loopt er een lorriespoor van de achterzijde van het huis tot achter in het land. Achter langs de Delana fabriek ligt een zijspoor.  Met een draaischijf kan de lorrie van het ene op het andere spoor worden gezet. Met de kinderen van de fam. Beumer wordt de lorrie als speelwerktuig gebruikt, waarbij met een flinke snelheid over het spoor wordt gereden. Af en toe vliegt de lorrie uit de rails of ontspoort bij de draaischijf. Met vereende krachten de lorrie weer op de rails gezet.
 
Een foto in vogelvlucht van de Delanafabriek. Rechts de woning van de fam. Beumer. Boven en rechts naast de fabriek het tuindersbedrijf. Het spoor van de lorrie is te nog te volgen (uit: De Dedemsvaart zijn stad, streek en dorpen).
Langs de Delana fabriek ligt een lange strook met rabarber. De volle emmers stront uit de wc worden geleegd tussen de rabarber.
Een uitstekende voedingsstof want de stelen groeien als een speer en worden goed verkocht op de veiling. Naast de strook rabarber ligt de werkruimte van de dames van de fabriek. Het zal er niet altijd even fris hebben geroken.
Rechts achter het huis heeft vader Henk een schuurtje waarin de bakfiets van de melkhandel wordt gestald. Deze schuur is ook zijn knutselruimte met het nodige gereedschap. Daar weer achter staat het kippenhok. Tegen zijn zin zet vader Henk de melkhandel voort. Zijn hart gaat meer uit naar het vak van timmerman. Helaas, zijn moeder vindt dat het belang van de boerderij voor gaat en alles is daaraan ondergeschikt.
Het aantal nakomelingen groeit gestaag. Als moeder Dina op het punt staat te bevallen, dan worden de andere kinderen met spoed overgebracht naar opoe en opa De Kleer aan de Langewijk. Pottenkijkers heeft men niet nodig. Zodra de gezinsuitbreiding er is komt men weer terug en ligt er een broertje in de wieg. We verbazen ons er niet over.
Zondags, bij mooi weer, wandelen we met vader Henk een vaste route. Na de brug rechtsaf over een smal pad naar de sluis. Dan de sluis over via de ophaalbrug bij bakker Bakker. Soms, om het moeilijk te maken, over de smalle loopplanken van de sluisdeuren. Aan de andere kant van de sluis rechtsaf over het zandpad.
Langs de tuinderij van de familie Klomp, er ligt altijd een stapel aardewerk bloempotten langs de kant, tot aan de stroomduiker bij de villa"Nooitgedacht".

Op de voorgrond de brug van boerderij Westert over de Dedemsvaart. Links boven de uitmonding van de Schutwijk. In de bocht de "Rollepaal". Aan de overzijde van de Schutwijk de stroomduiker met het bruggetje over de uitmonding van de verbindingswijk. Rechts villa "Nooitgedacht" 
(uit: De Dedemsvaart zijn stad, streek en dorpen).
Vol bewondering staren we in het kolkende water. Terug kunnen we kiezen uit twee routes, of dezelfde weg terug of we lopen door langs de boerderij Westert richting Dedemsvaart, daarna een smalle vlonder over en daarna linksaf een singel met houtwallen in. In de zomermaanden groeide aan  weerszijden het koren. Als de brug bij boerderij Westert met afgedraaid is, over de Rollepaal terug naar huis.
 
Achter het bord met opschrift Rollepaal, de rollende paal t.b.v. het trekdraad waarmee de schepen door paarden of mensen werden voortgetrokken (uit: De Dedemsvaart zijn stad, streek en dorpen).
Een andere wandelroute was langs de Keukenwijk naar de stroomduiker. Later wandelden we ook naar het Achterveld richting Drochteropslagen. Daar was een boortoren in bedrijf en iedere keer was het weer interessant om vanaf de weg de activiteiten te bekijken.
Op 17 maart 1948 is het dan eindelijk zover. De fam. Zuidema heeft  het onderdak  aan de Langewijk verlaten en een woning gezocht elders aan de Langewijk. Het gezin van Henk en Dina de Kleer betrekt de boerderij.
Toch spelen we nog regelmatig bij de fam. Beumer.
Ook de boerderij valt genoeg te beleven. Heen en weer ragen met de driewielige kar tot op de weg. Spelen in de grote schuur. De schuur biedt uitgebreide speelmogelijkheden voor de kinderen. Ome Toos, die toen nog in de boerderij woonde, samen met opa en oma De Kleer, is daar niet zo blij mee.
Van de strobalen in de schuur wordt een fort gebouwd en voorzien van schietgaten. Klaas en Henk hebben een eigen "leger". Met pijl en boog wordt op elkaar geschoten en met aardappelen naar de tegenstander gegooid. Dit tot grote ergernis van ome Toos.
Soms in tijgersluipgang tussen de aardappelplanten door.
De boomgaard is ook een uitstekende plaats om allerlei spelletjes te doen.
Als kinderen mochten wij niet eten van het fruit van de boomgaard en de bessen. Opa en oma de Kleer had iedereen verboden om daarvan te eten. Dit fruit was alleen bestemd voor henzelf. Gelukkig viel er nog wel eens wat van een boom als opa of oma de Kleer niet in de buurt waren.
Na vertrek van opa en oma de Kleer was dit allemaal voorbij en konden we zorgeloos genieten van ons eigen fruit.
Na verloop van tijd wordt de boomgaard zelfs gebruikt om er een afgedankte auto in te begraven. Als opa en oma de Kleer dat ooit te weten komen.
Later, als de bromfiets in beeld komt is het weiland de locatie om uitgebreid teoefenen.

Ansichtkaart uit de jaren 1940-'45. Linksaf de Langewijk, naar rechts het Rhezerend. Links op de foto de boerderij van melkhandel  De Kleer. Rechts het woonhuis van N. v.d. Blom). Rechts lag het spoor van de stoomtram
Voor de boerderij een rij lindebomen die af en toe door vader Henk drastisch werden ingekort door er een aantal grote takken uit te zagen. Dit gebeurde altijd in de vroege nachturen. Opa en oma de Kleer vonden dat gezaag maar niks.
Na vertrek van opa en oma de Kleer werden de bomen drastisch aangepakt en ging een groot deel van de takken eraf. Onder de bomen lag grind. Verder groeide er niets onder.
Vanuit de voorkamer van de boerderij heb je uitzicht over de hele omgeving.


Kijkend naar links, richting het Rheezerend, dan is de eerste woning van Jan van der Blom, getrouwd met Aaltje van Haeringen, met een gazon aan de voorzijde en omgeven door een altijd groen blijvende haag.
Deze woning is later gesloopt in verband met de aanleg van de verbindingsweg. Daarnaast, achter een paar grote bomen, het huis van Kooistra met zijn tabak- en sigarenwinkel. Kooistra zorgde er voor dat de winkel s’morgens vroeg open is, want de werknemers van de Delanafabriek en andere bedrijven konden dan, voor ze aan het werk gingen hun rookwaar aanvullen. Het is ook de winkel waar de sigaren voor vader Henk worden gekocht (foto familiearchief).
In het kader van de aanleg van de verbindingsweg is ook deze woning gesloopt.
Na een perceel met bomen café  "De Sluis" van Gerard Krikhaar met daarachter de boerderij en daarnaast een grote schuur.

In de tijd dat sluis 6 nog over een eigen tramhalte beschikte diende het pand als wachtruimte voor de tram die aan de overzijde van de straat stopte. Na het opheffen van de spoorlijn kwamen de bushaltes er voor in de plaats.
Aan het café werd een automatiek gebouwd, waarvan o.a. veel personeelsleden van de Delanafabriek gebruik maakten. In de fabriek was geen kantine aanwezig. Later stond, als concurrent van deze snackbar aan de andere zijde van de weg een patatwagen. Vervolgens, iets verder van de weg af de paardenschuur van Krikhaar. Deze werd gebruikt voor de trekpaarden van de scheepsjagers.  
Deze paarden trokken de schepen door het water van de Dedemsvaart. De schuur was meer een overnachtingplaats voor de paarden. (uit: De Dedemsvaart zijn stad, streek en dorpen).
Vervolgens achter een paar grote bomen de bakkerij en kruidenierszaak van bakker Piet van den Berg. Ook in deze winkel werden af en toe door ons boodschappen gedaan.
Het statige herenhuis van mevrouw Bouwman belemmert het uitzicht op de daarna volgende woningen. Later werd in dit huis het postkantoor van sluis 6 gevestigd onder leiding van mevrouw Jager-Kosters.
Tussen de bakkerij van Piet van der Berg en het herenhuis van Bouwman stond een dubbel woonhuis. Aan de westzijde woonde Hendrik Michel met vrouwen kinderen. Aan de oostzijde woonde de familie Kats met drie kinderen.

Links op de foto een deel van het pand Van der Berg. Daarnaast het dubbele woonhuis waarin de
families Michel en Kats woonden. Geheel rechts het huis van mevrouw Bouwman, later mevr. Jager-Kosters.
In het huis volgende op die van mevrouw Bouwman de kapperszaak van kapper Hein (voorheen bewoond door schilder Postma). En naast de kapperszaak Smederij Wielenga. Dan het bedrijf van loodgieter Ridder.Voor zijn hobby’s haalde vader Henk hier de nodige onderdelen of kreeg advies. Onze vleeswaren haalden we bij slager Toon Winkelman, later werd de zaak overgenomen door slager Kosse. Dit is de slager die de vlaamse reus van Jaap panklaar maakte.
Aannemer Sikko Kosters was de eigenaar van het volgende pand. Daarnaast de houtstek van Balkema met grote balken en planken in opslag. Voor het gebouw een aantal grote bomen, waaronder we spelenderwijs langs liepen. Verderop langs de route de benzinepomp van Van der Laan.
Voorbij de Keukenwijk de winkel met huishoudelijke artikelen van Aïzo Krikke.
De weg was bestraat met klinkers. Pas veel later werd over de bestrating een asfaltlaag aangebracht. Tussen de bestrating en de beschoeiing van het kanaal een brede berm waarop voorheen de rails lagen van de stoomtram. Dan het water van het kanaal de Dedemsvaart met aan de andere zijde van het water de grote boerderij van de fam. Van Haeringen. Ook die konden we vanuit de voorkamer zien.
Het kanaal maakt voor de sluis een bocht om recht voor de sluis uit te monden. Aan weerszijden van het kanaal de aanlegsteigers voor schepen die wachten om geschut te worden of door de sluis waren gekomen. Van de wachttijd werd gebruik gemaakt om inkopen te doen.
Vandaar ook het grote aantal winkels in de directe omgeving van de sluis.
De sluis ligt achter de sluiswachterwoning en is vanuit de boerderij niet zichtbaar.
Achter de bomen naast en voor het huis van de sluiswachter Van Assen kunnen we nog een stukje zien van de ophaalbrug over de sluis met daarachter de kruidenierswinkel met bakkerij van bakker Bakker. Het echtpaar Bakker heeft drie dochters en twee zoons.
Het gezin De Kleer doet een deel van de inkopen in deze kruidenierszaak. Bakker Bakker is een goede klant van de melkhandel en dat betekent dat je er wat voor terug doet.
Het pad naar de ophaalbrug over de sluis is verhard, maar zodra je de brug over bent is er nauwelijks nog sprake van een verharding.

Op de achtergrond het winkelwoonhuis van de familie Bakker met op de voorgrond de brug over de schutsluis (foto familie Bakker).
 
Langs het pad staan grote eikenbomen. Zodra het gerucht gaat dat de afgevallen eikels geld opbrengen wordt er flink ingezameld. Helaas komt het maar zelden voor dat de dozen met eikels kunnen worden omgezet in klinkende munt. Jarenlang staan dozen met eikels op zolder weg te rotten of worden opgevreten door houtworm.

Naast bakker Bakker het huis van de familie Kroezen. Alleen om melk te brengen komen we daar aan de deur. Verder langs het kanaal slenterend passeren we de boerderij van de familie Van Haeringen en steken daar de brug over de Stroomwijk over. De volgende grote boerderij is van Wildeboer. Ook daar bemoeiden we ons niet mee. Daarna het huis van de familie Van Beek en vervolgens het aannemingsbedrijf Lucas Linde met de zonen Lefert en Jan en dochters Geertje, Annie, Adrie en Dinie.
Voorbij het huis van de familie Zwiers staat de boerderij "Anri-hoeve" van de familie Zijlstra. Daarna volgt de brug over de Derde Wijk. Meestal gingen we daarna linksaf de brug over om dan weer langs het kanaal terug telopen.

Zicht op de Rollepaal omstreeks 1975 (foto familiearchief).
Recht voor de boerderij de aansluiting van de Rollepaal aan de Langewijk met in het midden een driehoekig stukje plantsoen en daarin de ANWB aanwijzer. Na ongeveer honderdvijftig meter de ophaalbrug over het kanaal de Langewijk.
In 1925 lag deze brug nog ter hoogte van het driehoekige stukje plantsoen. Vaarden er vroeger nog wel eens een schip door de Langewijk en moest de sluiswachter de brug ophalen, later werd het aantal schepen dat gebruik maakte van de Langewijk steeds minder en ging de brug nauwelijks nog omhoog om een schip door te laten.
Dit stukje van de Rollepaal werd ook gebruikt om paarden te keuren voor het paardenfonds. Terwijl wij stonden te kijken renden de paarden heen en weer onder de technisch blik van de keurmeester. Boeren konden tijdens deze keuring de waarde van hun paarden laten bepalen. Ging een paard voortijdig dood, en waren ze aangesloten bij het paardenfonds, dan kregen ze 80% van de vastgestelde waarde uitgekeerd.
Op de hoek Rollepaal Langewijk de maalderij Varwijk waar het meel voor de bakkers werd gemalen. In deze maalderij stond een grote weegschaal. Gingen we voer halen voor de kippen, dan ook even op de weegschaal.
Voor de brug rechts de kapperszaak van kapper Blok. Op 5 december kwam daar altijd Sinterklaas met zijn pieten naar buiten. Niemand had sinterklaas daar ooit naar binnen zien gaan! Wisten wij veel.
Op de bovenverdieping was zijn dansschool gevestigd. Soms bleven we voor de kapperszaak staan luisteren naar de dansmuziek. Het was ook onze kapper.
Tussen de kapperszaak en het kanaal was het begin van een af en toe moeilijk begaanbare looproute die verderop weer uitkwam bij de Langewijk.
Over de brug het woonhuis van Takken. Daarvoor liep het zandpad naar een wat verder naar achter gelegen bouwwerk dat bewoond werd door een weinig kieskeurig gezin.
Dan volgde een dubbel woonhuis. Vervolgens de brood- en koekbakkerij van Lucas Nanning. Vaak speelden wij op de zolder boven de bakkerij waar het meel lag opgeslagen. Tussen bakkerij Nanning en de Delanafabriek de woning behorende bij de kwekerij van Jan KlaasBeumer.
 

Zicht op de Langewijk omstreeks 1975 (foto familiearchief).
Aan de boerderij kant van de Langewijk richting Dedemsvaart stond naast ons de confectiezaak van Jan Haasjes met zijn vrouw Johanna Reurink en hun kinderen Henny, Henk, Jan en Alex. In 1961 verkocht Jan Haasjes het winkelpand aan fietsenmaker Jonker. Hij was de drijvende kracht achter de Oranjevereniging Sluis 6.

Het winkelpand van de fam. Haasjes.
 
Daarnaast een dubbele woning met in het rechter gedeelte Wibier. Bij hem kon je, als er ijs was, de schaatsen laten slijpen. In de linker woning de familie Wierbos. Als huisslachter slachtte hij op afroep bij de mensen thuis het varken. En hij was visser in het gebied wat zich uitstrekte tussen Beute (kruising Langewijk/Het Rak) en Sluis Zes.
Vervolgens een verwaarloosd stuk grond. Haaks op de weg de zogenaamde kazerne met een aantal gezinnen. Later werden deze woningen onbewoonbaar verklaard.
In 1954 werd de kazerne gesloopt om plaats te maken voor de bouw van de Groen van Prinsterenschool. Deze school kwam in de plaats van de Gereformeerde school nabij de Gereformeerde kerk aan de Langewijk.
"De school werd in 1955 geopend en was een hele vooruitgang in vergelijking met de oude school. Het schoolplein werd aangelegd op de plaats van voorheen de schapenweide van ome Toos.
Na de school het woonhuis van de heer en mevrouw Krikke met zoon Jacob.
Ter hoogte van de winkel van Roelof Steenbergen en de smederij van Wijbega waar langs de weg de paarden werden beslagen kwam het kanaal de Langewijk na een S-bocht terug naar de weg om daarna evenwijdig aan het wegdek van de Langewijk te blijven.
Na de smederij de schoenenzaak van Evert Hertsenberg, die ons ook als klant had. Naast deze winkel liep een onverhard pad naar achteren. Via een brug over het Langejacht kwam je terecht bij de boerderij van Veldman en rechtsaf bij de boerderij van de familie Mulder. De boerderij werd gerund door Jan Klaas en zijn zussen Klaasje en Margje. Deze kwamen tijdens verjaardagen van moeder Dina en vader Henk feliciteren. Aan de boerderij zelf veranderde niets. De tijd stond daar stil. Vaak liepen we het pad af naar de boerderij, liepen daar rond op het erf of in de boerderij. Men was altijd bezig.
Na de schoenmaker liep je langs de winkel van groenteboer Wassens, dan de kruidenierszaak van Van Dijk. Een stuk groentetuin. Daarna het huis van schoenmaker Berkenpies.
Een altijd wat schemerige zaak. De werkplaats was voor het raam zodat hij iedereen voorbij zag komen. Berkenpies was altijd bezig schoenen te lappen. Wij waren daar redelijk vaste klant.
In het huisje wat verder van de weg petroleumboer Moes. Regelmatig moesten we daar petroleum halen, maar meestal kwam hij op vaste tijden langs de deur.
Op weg naar school liepen we langs de heg rond de tuin van "Casa Bella", de villa van de eigenaar van de Delana fabriek, de heer Minke.
Tegenover deze villa, aan de andere kant van het kanaal het woonhuis van de familie Omvlee. Om over te steken had je altijd een bootje nodig. In de wintermaanden, als het een beetje gevroren had, werden er planken op het ijs gelegd. Het huis was dan beterbereikbaar.

Het huis van de familie Omvlee aan de andere zijde (zuidzijde) Van het kanaal de Langewijk (uit: de Dedemsvaart,zijn stad, streek en dorpen).
Aan de andere zijde (zuidzijde) tegenover de boerderij zoals eerder beschreven de maalderij van Varwijk. Op het braakliggende stuk grond naast de maalderij werd later door Jan Varwijk een nieuwe woning gebouwd. Daarnaast ligt dewoning van W. Koster en de laatste woning aan deze zijde van de weg, tegen het kanaal aan, de winkel van Van Veen.
Terug nu naar de boerderij zelf.
De boerderij is tot eind van de jaren veertig in gebruik als boerderij. In de stal staan eind 1950 nog maar 5 koeien. Ook het paard heeft hier onderdak. Boven de koeien is een verlaagd gedeelte waarop hooi voor de koeien ligt opgeslagen.
Af en toe helpen wij met het voeren van de koeien. Omstreeks 8 juli 1948 worden ook de laatste koeien en het paard verkocht
.
De varkens in de schuur worden ziek en gaan langzaam maar zeker dood. Varkenspest constateert de te hulp geroepen veearts. Ze worden afgemaakt. De hokken worden ontsmet. 
De families Reurink en Storteboom vertrekken naar Canada, dit tot groot verdriet van vader Henk. Hij moet nu de hulp bij het uitventen van de melk missen, maar bovendien zou hij graag zijn meegegaan. Moeder Dina ziet vertrek naar Canada echter niet zitten, en vader Henk zou nog liever vandaag dan morgen afscheid nemen van het melk uit venten.
Ook het perceel weiland aan de Rheezerbovenveen wordt in dit jaar verkocht aan Hendrik Mulder. In de grote schuur blijven de varkens en schapen onderdak vinden.
In juni 1952 is er nog één varken overgebleven van de veestapel. Daarna is het afgelopen met het houden van varkens.
Jaren, nadat de koeien en paard waren verkocht is de stal nog compleet met inbegrip van de voerbakken, de grup enz..
Daar waar vroeger het paard had gestaan wordt door vader Henk een timmerwerkplaats ingericht en kan hij zijn gereedschap gebruiken zonder gestoord te worden door zijn vader of moeder. De werkplaats wordt afgezet met een hekwerk. Er zijn mensen die zijn gereedschap lenen en moeite hebben met terugbrengen.
Ook wordt de stal gebruikt voor het opslaan van de turf voor het stoken van het fornuis in de bijkeuken. De turf werd met een schip aangevoerd. Aan de Rheezerend zijde van de sluis meerde het schip af en met een grote kruiwagen werd de turf aan huis gebracht.
In de stal is ook de wc. Een houten zetel met een rond gat. Na gebruik deksel sluiten. Om de zoveel tijd werd het houtwerk gesopt. Via een trechter liep de ontlasting in de beerput. Als de beerput vol was, en dat zag je als hij buiten overstroomde, werd er een sleuf gegraven richting de boksloot. De inhoud van de beerput werd in de sleuf gestort en stroomde naar de sloot. Na gebruik werd de sleuf dichtgemaakt.
Via het spoellokaal komt men het huis binnen. Het spoellokaal was in gebruik voor het schoonmaken en spoelen van de melkbussen. Dit was in hoofdzaak het werk van moeder De Kleer. De bussen werden schoongemaakt met warm water en soda.
In de winter werd het schoonmaken ondanks dit toch een koude klus.
Achter het spoellokaal zat vroeger de oven voor het bakken van brood. In de muur van het spoellokaal zaten de ijzeren kleppen om het brood in de oven te kunnen bakken. Later is de oven weggebroken. In de vrijgekomen ruimte werd nog weer later het toilet en douchecel gebouwd.
Rechtdoor kom je in de bijkeuken. Hier werd het eten gekookt. Een groot fornuis deed daarvoor dienst. Later werd daarvoor een gasstel gebruikt. Toch bleef op de achtergrond ook het petroleumstel aanwezig. In de muur naar de stal is een klein raampje. Vanuit de keuken had men zicht op het vee in de stal.
Linksaf is de deur naar de stal en rechtsaf, een paar treden omhoog, de deur naar de woonkeuken. In deze kamer worden tussen de plafondbalken de worsten en hammen van de eigen slacht te drogen gehangen. Gedurende de periode dat opa en oma De Kleer met ome Toos de woonkeuken gebruiken is over de volle lengte van de keuken een tussenwand aanwezig. Op deze wijze is een verbindingsgang ontstaan tussen de bijkeuken en de woonkamer voor in de boerderij.

Dedemsvaart omstreeks 1950. Oma en opa De Kleer in de tuin (foto familiearchief).
 
Op 3 oktober 1951 overlijdt oma Maria de Kleer-Mulder, oud bijna 75 jaar. Ze laat een leven met veel kommer en verdriet achter zich. Maandag 8 oktober 1951 wordt ze begraven op de begraafplaats "Achterveld". Opa De Kleer blijft met ome Toos achter, maar zij kunnen feitelijk niet voor zichzelf zorgen.
Na enig familieoverleg wordt besloten dat opa De Kleer en ome Toos bij de dochters gaan inwonen. Een week voor kerst 1952 sterft opa De Kleer, 84 jaar oud. Terwijl de sneeuw neerdaalt wordt hij begraven op de begraafplaats "Achterveld", naast het graf van zijn vrouw.
Na hun vertrek wordt de afscheidingswand gesloopt en de ruimte in gebruik genomen als woonkeuken. We verhuizen dus van de voorkamer naar de "achterkamer". Alles wat maar enigszins te maken heeft met het boerenleven wordt opgedoekt of weggesmeten. Op deze manier verdwijnen kaasvaten, karnton en andere spullen in grote gaten in de tuin. Hartje zomer wordt Bert geboren. Hij is definitief de laatste telg.
In de loop van de jaren wordt de keuken verbouwd en gemoderniseerd.
Veel koppen koffie zijn hier gedronken. Heel veel vrienden en kennissen hebben hier rond de tafel gezeten. Gezelligheid
was troef.
Vader Henk gaf regelmatig voorstellingen met de toverlantaarn. De
strips werden door hem zelf vervaardigd.
Een deur in de keuken geeft toegang naar de grote kelder. In de kelder worden onder andere opgeslagen de inmaak- en wekgroenten, appels en peren uit de boomgaard en de aardappels.
Een ander deur is de verbinding met de hal. Hier komt de in 1944 geplaatste voordeur op uit. Door de hal komt men in de voorkamer. Deze kamer is lange tijd in gebruik geweest als woonkamer van het gezin De Kleer. Later wordt daarvoor de woonkeuken gebruikt en is de voorkamer in gebruik voor de meer zondagse gebeurtenissen.
Ook deze kamer wordt in de loop van de tijd gemoderniseerd waarbij de kachel verhuist van de ene naar de tegenover gelegen wand. Naast de voorkamer is de voormalige winkelruimte van de boerderij. Bereikbaar via de winkel deur in de voorgevel. Na het beëindigen van de winkelactiviteiten eind 1946 wordt deze ruimte vanaf 24 februari 1947 verhuurd aan kapper Jan Dirk Hein voor f 4,- per week.
Na zijn vertrek in 1953 wordt de ruimte tijdelijk gebruikt door de naaister van buurman J. Haasjes, mevr. Marietje Biemans uit Slagharen.
 
Naaister Marietje Biemans met strijkplank bij de ingang naar haar atelier.
Aan de voorgevel van de boerderij is,
in vergelijking net het schilderij uit 1885 weinig veranderd
(foto familiearchief).
En na haar vertrek wordt het een ruimte waarin niet direct weg te gooien zaken worden gedeponeerd. Nog veel later wordt de kamer ingericht als woonkamer voor Jos en Roelie.
In de woonkamer de deur naar de slaapkamer van vader en moeder De Kleer. Daar de slaapkamer boven de kelder ligt moet men eerst een tweetal treden omhoog. Deze slaapkamer is 1944 aangelegd. Zoals al eerder opgemerkt was er een ruimte met twee bedsteden. Voor een bedrag van 100 gulden is de woonkamer verkleind en een slaapkamer gemaakt waarbij de bedsteden zijn verwijderd.
In de hal de trap naar de zolder. Hier ligt een aantal slaapkamers. Direct naast de trap een alkoof. Als oom Leendert uit Boskoop op bezoek kwam sliep hij daarin. Voor het overige werd deze ruimte gebruikt om alles wat men niet direct kwijt wilde, maar later toch wordt weggegooid, daar in op te bergen.
De zolder is verdeeld in een voor- en achterzolder. Het verschil is niet zo groot, zij het dat naar mate verder je op de achterzolder komt het gevaar bestaat door de planken heen te zakken. Boven de stal zijn de zolderplanken danig aangetast doorhoutworm en niet overal bestand tegen belopen. 
Via een trap in de achterzolder kom je beneden in de stal.
Het dak van de boerderij is bedekt met oud Hollandse dakpannen. Ter afdichting van de aansluiting tussen de dakpannen zijn aan de binnenkant zogenaamde strodoken aangebracht. Een deel van deze afdichting is in de loop van de jaren verdwenen. Tijdens heftigesneeuwval in combinatie met stormachtige wind, waait stuifsneeuw door gaten en kieren op de zolder. Soms was het noodzakelijk op zolder sneeuw te ruimen om lekkage te voorkomen.
De ijzeren elektrabuizen zijn op de vloer bevestigd. De elektrakabels liggen soms bloot in de contactdozen.
Dat het huis niet in de brand is gegaan als gevolg van kortsluiting mag een wonder heten.
Op een meter of twee achter de stal van de boerderij staat een grote houten schuur. De schuur is in twee gedeelten. Het ene gedeelte, evenwijdig aan het pad naar het land achter de boerderij en tevens het grootste, is in gebruik voor het opslaan van hooi, de pakken stro. Als er ruimte is staan ook de karren er in. Dit gedeelte heeft een grote hoge deur waar de karren met hooi en stro doorheen kunnen. In het andere gedeelte, evenwijdig aan de erfscheiding met buurman Van de Blom, zijn de hokken voor de varkens. Over de volle lengte is een gang. Deze gang heeft een toegangsdeur recht tegenover een achterdeur in de stal.
Dit gedeelte is ongeveer 2,50 m hoog en voorzien van balklaag waar overheen planken. De ruimte boven de stallen wordt ook gebruikt voor het opslaan van hooi enz.. Terugkijkend in de tijd zag het er allemaal wel een tikkeltje gammel en brandgevaarlijk uit.
 
Vader Henk met links achter het stookhok en rechts achter de grote (hooi)schuur. De deur naar de stal staat open (foto familiearchief).
 
De hooischuur is enkele jaren verhuurd aan de Gebr. Varwijk. In het stenen gedeelte fokte men varkens. Daar waren drie varkenshokken. Af en toe was er nog wel eens een sterfgeval onder de varkenspopulatie.
Aan de achterzijde is tegen de schuur een kleine, houten schuur met schuin dak gebouwd voor het stallen van de bakfiets. De mestvaalt ligt daar schuin achter/naast.
Wat verder achter de schuur de bleek, een stuk grasland waarop vroeger het wasgoed werd gebleekt. En daar weer achter de groentetuin die doorloopt tot aan het weiland.
Het grootste gedeelte van de schuur is begin jaren 60 afgebroken. Een deel van de varkensstallen is ingericht tot kippenhok. 
 
 
De bewoners van Langewijk 442. Het gezin De Kleer eind 1952.
Achterste rij staand van links naar rechts:
Henk, Klaas, Marinus. Voorste rij van I. naar r.: Jaap, vader Henk, Roelie, Jan, moeder Dina met Bert (foto familiearchief).

Langs de groentetuin en het weiland ligt de boksloot. Deze sloot buigt af achter langs de tuin van Van der Blom en eindigt achter de boerderij van Krikhaar. 
Aan de andere kant mondt de sloot uit in het Langejacht. Het Langejacht is een afwateringskanaal.
Af en toe stroomt het water in het Langejacht behoorlijk snel. Erg diep is dit water niet, want je kunt de bodem zien.
Als kind leek de boksloot redelijk breed, en je werd van het water afgehouden met de mededeling dat daarin de bullebak huisde en die greep je als je te dicht bij het water kwam, maar hoe ouder je werd hoe smaller de sloot scheen te worden.
Het schaatsen leren we op het ijs van deze sloot. Achter een stoel en krabbelen maar. In begin van de winter is het mooi glad ijs. Maar zodra het waterschap het waterpeil gaat verlagen zakt het ijs in het midden steeds verder door totdat het niet meer mogelijk is om er nog iets op te doen.
De boksloot wordt af en toe door Krikhaar schoongemaakt, maar groeit toch langzaam dicht. Nabij het Langejacht wordt de boksloot ondieper en smaller. Daar springen we dan over de sloot, lopen langs de waterkant over het land van Krikhaar naar de brug over het Langejacht even voorbij de boerderij van Jan Klaas Mulder. Hier mondt in het Langejacht uit de Mulderswieke, een verbindingssloot met het Reestdal. Soms kolkt hier het water met grote snelheid het Langejacht in.
Met een zelf gebouwde boot, een aantal aan elkaar getimmerde planken met een bodem, wordt door de boksloot naar het Langejacht geboomd.
Later met een bokschuit varend op het Langejacht duwend met een vaarboom. De schuit ging harder dan de vaarboom. Na enig bungelen boven het water, kopje onder. De kleren laten drogen, want varen op het Langejacht wordt door pa en ma niet op prijs gesteld.
Tegen de paasdagen wordt achter op het land, in de hoek boksloot Langejacht, een paasbult gemaakt. Overal vandaan worden takken bij elkaar gesleept en op eert hoop gegooid. Met de Pasen wordt de bult in brand gestoken. Soms worden de paasdagen met gehaald en gaat al eerder de brand erin.
Links van de boerderij het stookhok. Hierin werd vroeger de was gedaan. Het stookhok had een soort vliering. Met een gat in het plafond om er in te komen. Een prima speelgelegenheid. Je moet wel flink klimmen om zonder ladder naar boven te komen. Naast het stookhok is ook het begin van de stinksloot. Doodlopend dus deze sloot, wel in gebruik voor het lozen van het afvalwater uit de keuken en het latere spoellokaal.
Als het een beetje warm weer is stinkt de sloot behoorlijk. De sloot is ook de grens met de tuin van buurman Haasjes. Even voorbij de grote schuur maakt de sloot een bocht naar links en na een meter of 20 weer naar rechts (hier stond ook het kippenhok) en vervolgens in een redelijk rechte lijn richting Langejacht. Het water stroomt dus langzaam af richting Langejacht.
Eind jaren 50 is ook deze sloot vanaf de boomgaard nog redelijk bevaarbaar. Buurman Wierbos heeft op de grens met de boomgaard en het weiland zijn visboot liggen.
Met deze boot vaart hij naar het Langejacht en verder om te vissen. Af en toe koopt pa van hem vis. Later wordt de visboot verder verlegd richting het Langejacht. De sloot wordt niet meer onderhouden en dus steeds ondieper.
Soms springen we achter de boomgaard over deze sloot en lopen dan over het land achter Wierbos, vroeger was hier de schapenweide van ome Toos, richting de kazerne, een redelijk groot gebouw waarin een aantal gezinnen woont. Het gebouw verkeert in slechte staat. De woningen krijgen na verloop van tijd borden met tekst "onbewoonbaar verklaarde woning" op de deur gespijkerd.
Later wordt de afvoer van de keuken, douche en toilet aangesloten op de gemeentelijke riolering onder het wegdek van de Langewijk. Daarmee vervalt de lozing op de sloot. De sloot wordt dichtgegooid.
Moeder Dina richt de strook grond in als bloementuin. In de zomermaanden is deze tuin een lust voor het oog. Vaak wandelen langs het tuinpad van moeder Dina.
In juli 1974 ontvangt vader Henk een brief van de gemeente waarin meegedeeld wordt dat er een onteigeningsprocedure is gestart om gronden voor de aanleg van een verbindingsweg tussen het industrieterrein en de, toen nog nieuwe, provinciale weg in eigendom van de gemeente te krijgen.
Na enig overleg en het maken van een aantal afspraken wordt aan de gemeente 94 m2 grond verkocht. Niet veel later wordt met de aanleg van de verbindingsweg gestart. De boksloot wordt dichtgegooid en verdwijnt onder het wegdek. Het woonhuis van Van de Blom en het voormalige winkel/woonhuis van Kooistra wordt gesloopt.
Medio juni 1977 wordt een begin gemaakt met de sloop van de boerderij. Een aantal maanden later herinneren alleen nog foto’s ons aan het bestaan van deze boerderij.
 
 
Gelukkig hebben we de foto’s nog.



 
 
Maar het is waar ik geboren ben
Dit dorp, ik weet nog hoe het was
de boerenkind'ren in de klas
een kar die ratelt op de keien
het raadhuis met een pomp ervoor
een zandweg tussen koren door
het vee, de boerderijen


En langs het tuinpad van m'n vader
zag ik de hoge bomen staan
Ik was een kind en wist niet beter
dat dat voorgoed voorbij zou gaan...


Een couplet uit "Het dorp",  
gezongen door Wim Sonneveld



Bij het schrijven van deze geschiedenis heb ik de volgende boeken gebruikt:

- Achter elke steen gaat een stukje historie schuil.Op zoek naar het verleden in Schüttorf
- Hutspot, Haring en Wittebrood. Tien eeuwen Leiden, Leienaars en hun feesten.
- Gezicht op Leiden - De zeven Singels
- Omzien naar Aarlanderveen
- 125 jaar Christelijk Onderwijs Aarlanderveen 1863 - 1988
- Terug in de tijd. Herinneringen aan het dorp Aarlanderveen

- De zeventien gebrandschilderde glazen in de Oudhoornse Kerk
- De geschiedenis van Nieuwkoop
- Bijdrage tot de geschiedenis van de gemeente Avereest
- Werp uw brood uit op het water. Momenten uit 150 jaar Gereformeerd Kerkelijk leven en ruim 90 jaar Gereformeerd Schoolleven te Dedemsvaart
- Wijkend Verleden. Oude, historische en nog bestaande turfwijken en vaarten in de gemeente Avereest

- d' Avereester Kroniek

- De Dedemsvaart zijn stad, streek en dorpen in de 20e eeuw
- Station Dedemsvaart. Sporen van toen